Zwakbegaafde ouders
Volkskrant Magazine 10 februari 2007

‘Mijn moeder heeft het verstand van een kind’

‘Toen ik vier was en naar de kleuterschool ging, gaf ik kopjes en likte ik aan mijn handen,’ vertelt Linda (39). ‘Thuis waren de katten de enigen die naar me toekwamen als ik op de grond zat te huilen.’ Linda is het kind van een zwakbegaafde moeder en een hoogbegaafde vader. ‘Hoe die twee elkaar gevonden hebben is me nog steeds een raadsel. Ik heb hem wel eens gevraagd waarom ze ooit kinderen hebben genomen. “Ze heeft me erin geluisd,” zei hij. “Ze was opeens zwanger.”’
Linda’s moeder wilde graag een jongetje. Na twee teleurstellingen was het dan zo ver. ‘Mijn broertje is vijf jaar jonger dan ik. Hij was het prinsje thuis, hij mocht alles, mijn zusje en ik kregen niks. Mijn broertje was een ettertje, hij zat ons altijd te treiteren en dan kregen wij op ons flikker. Als hij nieuwe kleren kreeg, zei mijn moeder dat wij het niet waard waren. Niet dat hij er veel beter uit is gekomen hoor. Hij is nu 34 en woont nog steeds thuis, heeft geen scholing gehad en nog nooit een baan. Verwaarlozing en verwenning zijn de keerzijden van dezelfde medaille: het is allebei liefdeloos.’

In de stationsrestauratie wiebelt Linda ongemakkelijk op haar stoel en ze kijkt onophoudelijk in het rond. Ze heeft altijd het gevoel dat ze buiten zichzelf staat, zegt ze, dat deed ze vroeger al, de enige manier om het vol te houden. ‘Thuis vielen er dagelijks klappen. Mijn moeder kon om alles kwaad worden. Iedere ochtend nam ik me voor die dag heel lief te zijn, zodat ze geen reden had om boos te worden, maar ze vond altijd wel een reden. Het kwaadst werd ze als we haar niet wakker maakten. Dat probeerden we wel. Mijn moeder wakker maken was een dagelijks terugkerend ritueel dat tot de middag duurde. Tussen de middag, als we uit school kwamen, opende ik de deur met een ijzeren kleerhanger die ik in de bosjes had verborgen. Als ik zag dat ze nog sliep riep ik van alles om haar wakker te maken. Dat ze een afspraak had, dat we honger hadden, dat we haar misten, niks hielp. Tegen de tijd dat we ’s middags uit school kwamen was ze meestal wel op, en woedend omdat we haar niet hadden wakker gemaakt. Dan kwam ze krijsend achter me aan en moest ik een sprint trekken naar mijn kamer op zolder. Waarbij ik altijd snel mijn voeten moest optrekken op de trap, anders had ze ze te pakken. En dan de deur op slot. Wild werd ze daarvan, stond ze te schelden en te tieren en tegen de deur te schoppen dat ik open moest doen. “Als je belooft dat je niet slaat,” piepte ik dan. Dat beloofde ze. Maar op het moment dat ik de deur opendeed sloeg ik mijn armen al uit bescherming om mijn hoofd om de regen van tikken op te vangen.’
Linda’s moeder heeft de verstandelijke vermogens van een kind van negen. ‘Een heel klein denkraam, en ze snapt niets van wat zich daarbuiten afspeelt. Veel interesse had ze voor de magische wereld. Andere kinderen krijgen ’s middags een kopje thee, althans, dat stel ik me zo voor, bij ons zat er vaak een paranormaal begaafde op de bank, of een medium die met de stem van overledenen begon te praten.’ Beangstigend, voor een klein kind. Al heeft Linda meer geleden onder het gebrek aan aandacht, liefde en verzorging, aan het gevoel er te mogen zijn. ‘Ze bekommerde zich niet om ons, liep de deur uit als ze er zin in had en liet mij en mijn babyzusje alleen achter. Ik verschoonde haar luiers, ik kleedde haar aan. Voor eten moesten we zelf zorgen, ik heb chronisch honger geleden, was mager als een spriet. Ja, ’s avonds kookte ze, maar dat eten belandde meestal tegen de muur, of in de vuilnisbak, doordat ze ruzie met mijn vader kreeg op het moment dat hij thuiskwam. Hij wist altijd niet hoe snel hij weer terug moest naar zijn werk. Als hij om een uur of elf terugkwam, ging het ruziemaken verder. Op een gegeven moment wilde hij niet meer naast haar liggen, omdat ze hem altijd trapte in bed, dus kwam hij bij mij op zolder liggen. Maar mijn moeder was nog niet klaar met ruziemaken, dat schelden ging in mijn deuropening gewoon door. Tot vier uur ’s nachts. Meestal ging ik naar buiten en wachtte hangend tegen de heg tot het lawaai binnen ophield en ik weer kon gaan slapen.’
Een opvoeding, ze heeft het niet gehad. ‘Sociale omgangsvormen, “alsjeblieft, dank je wel” zeggen, met mes en vork eten, ik heb het allemaal later van mijn psychiater geleerd. Als kind behielp ik me met de tv, die was mijn opvoeder. Maar als je alleen maar naar series als Dallas kijkt, kom je er al snel achter dat dat niet werkt in de gewone wereld. Ik werd gepest op school, omdat ik raar was en rare dingen zei, in de winter zomerkleren aanhad en ’s zomers een dikke trui. Ik heb geprobeerd me aan te passen, ben op aanraden van een klassedocent zelfs lid geworden van een soos. Het werd geen succes. Ik ben nog meegegaan op zomerkamp, maar daar werd mijn neus volgestopt met tandpasta.’ Nog steeds weet Linda niet hoe ze zich moet gedragen. ‘Zelf heb ik een IQ van 135, ik heb psychologie gestudeerd om mensen te leren begrijpen en voedingsleer om te weten wat ik moet eten. Ik heb van alles gestudeerd om de wereld en de mens te leren kennen, maar nog steeds voelt het alsof ik kijk naar een film waarvan de ondertiteling ontbreekt. Nog altijd heb ik het idee dat er ieder moment een ruimteschip kan landen waar iemand uitstapt die zegt: “Sorry, foutje. We hebben je helemaal verkeerd neergezet.”’

Ook mensen met een verstandelijke beperking krijgen kinderen. Zeker sinds het overheidsbeleid vanaf de jaren ’90 gericht is op ‘volwaardig burgerschap’ en integratie. Tegelijkertijd is diezelfde overheid steeds minder bereid te investeren in de zo noodzakelijke begeleiding. Mensen met een lichte verstandelijke beperking wonen niet meer in een tehuis waar eventuele relaties en een kinderwens onder controle kunnen worden gehouden, maar gewoon in een rijtjeshuis waar ze deelnemen aan het dagelijks verkeer. En zien dat de buurvrouw een wel heel schattig baby’tje krijgt. Ineke Verdonk is als maatschappelijk werkster verbonden aan MEE Gelderse Poort, een instantie die ondersteuning biedt aan mensen met een verstandelijke beperking. Zij heeft vele gezinnen begeleid en ziet het meestal fout gaan. ‘Er is in deze gezinnen zoveel pedagogische onmacht en financiële armoede, het is een gebrek aan kansen op elk gebied. Tenzij de familie bijspringt, is er in die gezinnen niks. Slechts twee handdoeken, geen geld om luiers of babyvoeding te kopen. Ik heb een cliënt die flink bezuinigt op het aantal schepjes babyvoeding in de fles, want “ze drinkt het toch nooit helemaal op”. Soms zie je wel dat buren helpen, een inzamelingsactie houden en geld geven voor babyvoeding. Maar meestal besteden deze ouders dat geld aan zichzelf. Aan een nieuwe mobiele telefoon, of een groot aquarium. Ze hebben niet zo’n controle over hun impulsen.’
Verwaarlozing en mishandeling, dat is vaak het gevolg. ‘Het zijn kinderen die voor kinderen zorgen. Ze kunnen niet vooruit denken, niet plannen, worden boos als hun kind huilt, omdat ze denken dat ie dat doet om te pesten. Pesten terug. Maken hun baby ’s nachts wakker, “want dan voelt hij ’s hoe dat is”.’ Zodra een kind in de peuterpuberteit komt en een eigen willetje krijgt, gaat het helemaal mis. ‘Opvoeden is zoveel meer dan alleen zorgen voor. Het vereist dat je interesse hebt in de leefwereld van je kind en dat je over invoelingsvermogen beschikt, dat je regels stelt en regelmaat biedt, dat je positief gedrag beloont en ingrijpt als een situatie uit de hand dreigt te lopen, en dat je voordoet wat sociaal gedrag is.’
Het enige onderzoek naar de ouderschapscompetenties van mensen met een verstandelijke beperking is nog vrij recent, van mei 2005, en werd gedaan door het Academisch Medisch Centrum en de Universiteit van Amsterdam. Uit het eindrapport Samenspel van factoren blijkt dat tweederde van de ouders met een verstandelijke beperking ernstig tekort schiet in de opvoeding. Vaak zo ernstig dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd en uit huis worden geplaatst door de kinderrechter.

Nu Hendrik (20) de opleiding SPW doet, leert hij wat een opvoeding is. En dat doet pijn, weten wat hij allemaal gemist heeft. Zowel zijn vader als zijn moeder is verstandelijk beperkt, zijn vader nog een graadje erger dan zijn moeder. ‘Mijn vader kon niks, had en heeft bij alles begeleiding nodig. Hij werkte in een meubelfabriek en ’s avonds lag hij op de bank.’ Afgezien van de enorme werklust van zijn moeder in het huishouden, zou hij de situatie thuis omschrijven als totale lethargie. ‘Er was niemand die op me lette, niemand die voor me zorgde. Dus deed ik waar ik zin in had: tv kijken, snoepen en laat naar bed. Voor twaalven lag ik er niet in.’ Hij zou willen dat zijn ouders hem een keer echt gecorrigeerd hadden, dat ze duidelijk hadden gemaakt: Tot hier en niet verder. Maar daar waren ze niet toe in staat. Nog beter was het geweest als ze hem wat vaker positief benaderd hadden, interesse hadden getoond in school en hem hadden gestimuleerd lekker buiten te gaan spelen. Vriendjes kwamen niet over de vloer, dat vond zijn moeder te druk. Niet dat hij er veel had, sociaal was het niet een handig ventje. ‘Ik had altijd meteen ruzie, en ik wist niet waarom.’ Dat had hij graag geleerd: hoe gedraag je je onder mensen? Wat is de juiste benadering als iets niet lukt? Wat hij ook graag had gewild: een keer op vakantie, dat hebben ze nooit gedaan. Of wat vaker een spelletje doen. Alles beter dan dat gehang op de bank, met op de achtergrond het geschreeuw van zijn ouders. ‘Ze wisten zich gewoon geen raad.’
Toen Hendrik nog een baby was, werd zijn oudere broer van 4 al uit huis geplaatst. ‘”Hij was nog erger dan jij,” zei mijn moeder altijd.’ Het is niet goed afgelopen met zijn broer. ‘Hij is naar een kindertehuis gegaan, geen plek voor een vierjarige. Hij had beter naar een pleeggezin kunnen gaan, met één opvoeder, een thuissituatie. In een kindertehuis moet je vechten voor je plek en je boterham, je hebt wisselende begeleiders. Nu is hij 23, hij heeft geen baan en kan niet met geld omgaan.’ Zelf was hij 11 toen hij naar een pleeggezin ging, hij stond al vanaf zijn achtste, het moment dat zijn ouders gingen scheiden, onder begeleiding van een toeziend voogd. ‘Ik werd steeds onhandelbaarder. Was boos, koppig en tegendraads. Gedrag dat hoort bij een persoon die niet weet waar hij aan toe is, weet ik nu. Destijds dachten ze dat ik ook verstandelijk beperkt was. Daarom zat ik op het speciaal onderwijs.’
Ondanks alle ruzies thuis had hij moeite met de overgang naar het pleeggezin. ‘Ik miste mijn moeder, en mijn kleine zusje. Ik maakte me ook zorgen om haar, zij zat nu alleen in dat huis. Mijn pleegouders hebben nog aangeboden haar ook in huis te nemen, maar dat wilde mijn moeder niet. Mijn zusje is nu onder begeleiding van een diëtiste. Teveel gegeten.’

Het was even wennen in het pleeggezin, met al die regels en structuur. Maar ergens gaf het ook wel rust. Gezellig was het ook, met z’n allen aan tafel eten, een luisterend oor. En Hendrik hoefde in het pleeggezin niet schoon te maken, af te wassen of te strijken. Zijn pleegouders vonden het zelfs raar dat hij dat thuis altijd deed. ‘Het móest ook niet, ik deed het uit mezelf. Al vond mijn moeder meestal dat ik het niet goed deed. “Ik doe het wel,” zei ze dan en duwde me weg.’
Inmiddels woont Hendrik in een studentenhuis, na zijn studie SPW wil hij een vervolgopleiding gaan doen. Zijn kamer is keurig opgeruimd, hij gaat op tijd naar bed en heeft een vriendin. Via zijn vriendin is hij met het Christelijk geloof in aanraking gekomen. Een warm bad, noemt hij dat. ‘Daar leer ik over normen en waarden, over goeddoen voor de samenleving. Over een paar maanden gaan we met de World Servants, een christelijke organisatie, naar Jamaica, een school bouwen, en dat geeft een enorm goed gevoel. Het geloof brengt me de liefde die ik van mijn ouders nooit heb gekregen. Hij is de vader die ik nooit heb gehad. In feite heeft het geloof de ouderlijke rol overgenomen.’ Met zijn vader heeft hij geen contact meer, zijn moeder bezoekt hij ongeveer eens per maand. ‘En dan luister ik naar haar problemen. Ze vraagt nooit hoe het met mij gaat.’

Het zou oneerlijk zijn te stellen dat ouderschap bij verstandelijk beperkten altijd mislukt. Volgens het onderzoeksrapport Samenspel van factoren gaat het in eenderde van de gevallen goed genoeg. Dankzij een actief en betrokken netwerk van mantelzorgers en professionals en de bereidheid daarvan gebruik te maken. Veel ouders weigeren hulp uit angst voor ingrijpen van de rechter. In de praktijk merkt maatschappelijk werkster Ineke Verdonk dat een helpende oma binnen het netwerk de belangrijkste factor van slagen is. Zoals bij Rosetta Oelen (33) uit Hoogeveen. Haar vader was lichamelijk gehandicapt, haar moeder verstandelijk. De twee hebben elkaar leren kennen op de sociale werkplaats en werden verliefd. Na de bruiloft trokken ze bij zijn ouders in en van een huwelijk kwam een zwangerschap. ‘Ik denk dat mijn vader wel wist dat het eigenlijk niet ging, mijn moeder als moeder, maar hij was waarschijnlijk allang blij dat hij een partner had gevonden die hem een kind schonk. Als klein jongetje is hij bijna in een pinda gestikt, er moesten ribben verwijderd worden en als gevolg daarvan is hij scheefgegroeid.’ Rosetta heeft haar vader nooit gekend. ‘Hij is begraven op de dag dat ik geboren werd.’
De ouders van Rosetta’s moeder hebben hun dochter en kleindochter direct na de bevalling in huis genomen. ‘Dat is mijn redding geweest. Mijn moeder heeft het verstand van een kind uit groep 3, ze had nooit alleen voor mij kunnen zorgen. Nu was mijn moeder gewoon het andere kind in huis. Ze deed klusjes voor mijn oma, hielp een beetje in de huishouding en hing vooral veel op de bank rond.’ Het leven was prima bij opa en oma, in ieder geval normaal. ‘Al waren ze wel van de oude stempel hoor. Er werd voor me gezorgd, maar een knuffel was er niet bij. Ze hadden het ook veel te druk met de boerderij. Vanaf de puberteit zat ik veel bij vriendinnetjes thuis. Pas daar merkte ik dat het ook anders kan, met een vader, een moeder, broertjes en zusjes, en gezelligheid. Niet dat ik ondankbaar was hoor, op haar sterfbed heb ik nog tegen mijn oma gezegd: “Wat jij voor mij gedaan hebt, kan ik nooit terugbetalen.” “Zorg voor je moeder,” zei ze. Dat heb ik beloofd.’

‘Rosetta krijgt ook al zo ene,’ klaagde haar moeder toen Rosetta voor de eerste keer zwanger was. ‘Ze was boos, wilde me voor zichzelf houden. Wat dat betreft is het net een kind, ze wil exclusieve aandacht, voelt zich al snel achtergesteld en wordt boos en begint te huilen als ze haar zin niet krijgt. Dan moet ik haar vasthouden en wiegen als een baby.’ Rosetta’s dochter is nu zes en haar zoontje drie, en met name tussen haar dochter en moeder wil het nog wel eens botsen. ‘Mijn dochter is behoorlijk wijsneuzig, “Je snapt er ook niets van!” roept ze tegen oma. Ze krijgen ruzie om niks, om een stel blokjes dat ergens wel of niet ligt. Ik moet haar binnenkort toch eens gaan uitleggen dat oma anders is.’ Dat oma ‘anders’ is, is niet erfelijk bepaald. ‘Toen wij aan kinderen begonnen hebben we dat laten testen. Ik heb al een oudere dochter, ik had er niet aan moeten denken dat ik ook nog een verstandelijk gehandicapt kind kreeg.’
Rosetta’s moeder woont nu al enige jaren zelfstandig en gaat drie dagen per week naar de dagopvang. ‘Naar mijn werk, noemt ze dat. Op donderdag doe ik boodschappen met haar, voor de hele week. Ze krijgt een dag in de week hulp en die laat ik altijd even de koelkast checken. Ze begrijpt niet altijd dat iets dat in de supermarkt in de koeling heeft gestaan, thuis ook in de koelkast moet, en dat melk na drie dagen niet meer houdbaar is onthoudt ze niet. Soms belt ze me op, helemaal in paniek: “Rosetta, m’n geld is op!” Of ze is haar pincode vergeten. Dan moet ik weer iets voor haar halen. Maar daar ben ik heel streng in geworden, ik moet mezelf beschermen. Vanaf mijn 21ste behartig ik haar belangen. En omdat ik toen nog geen kinderen had, ging ik vaak bij haar langs. Iedere vrijdagavond winkelen in de hoofdstraat. Maar het was te zwaar. Het is ook zo’n eenrichtingsverkeer. Ze zit maar op de bank en zegt geen woord. Laatst had ik kleren gekocht die ik voor haar showde en ze zei helemaal niks. Niet eens: “Kind, wat staat dat goed,” of gewoon: “Leuk”. Gewoon ‘leuk’ zeggen, dat is er al niet bij.”
Rosetta voelt zich dan ook niet geroepen haar moeder iedere zondag of met de feestdagen in huis te nemen. ‘Ze heeft ook nog broers en zussen, ik ben heel blij dat zij meehelpen. Oud en Nieuw heeft ze bij mijn oom en tante gevierd. De volgende ochtend belde ik even op om gelukkig nieuwjaar te wensen en ik kreeg eerst mijn tante aan de lijn, die vervolgens mijn moeder riep. “Catrien,” hoorde ik, “je moeder aan de telefoon!” “Neehee,” zei ik, “je dóchter!”’

Met Linda komt het nooit meer goed. Ze zit al sinds de jaren negentig in de WAO, leven lukt al nauwelijks, laat staan werken. Ze is getrouwd geweest, een manier om het ouderlijk huis te ontvluchten, met een al even getroebleerde geest als zij. Vorig jaar zijn ze gescheiden. ‘Hij heeft goed voor me gezorgd, maar we leefden totaal langs elkaar heen. Ik ben niet in staat liefde te ontvangen of te geven, beleef het leven rationeel. Daarom heb ik ook geen kinderen gekregen, ik ben niet stabiel genoeg. En ik weet hoe het is om een onstabiele moeder te hebben. Mijn moeder riep vroeger altijd: “Ik haat jullie, ik bel de kinderbescherming en dan laat ik jullie opsluiten in een kindertehuis!” Nou, ik kende de boeken van De olijke tweeling op kostschool wel. Mijn zusje en ik hebben heel wat uurtjes met onze neus tegen het raam geplakt gezeten. Wachtend op waar ze nou bleven.’

 

Kadertekst:
De groep verstandelijk beperkten is onder te verdelen in een aantal categorieën. Mensen met een IQ tussen de 70 en 85 worden aangeduid als zwakbegaafd. Mensen met een IQ tussen de 50 en 70 zijn licht verstandelijk beperkt. De groep mensen met een IQ tussen de 35 en 50 heet matig verstandelijk beperkt, daaronder spreken we van ernstig tot diep verstandelijk beperkt. (Zie o.a. Van Daal, Plemper/Willems,1997). In deze reportage hebben we het over de categorieën licht verstandelijk beperkt en zwakbegaafd (IQ 50-85). Nederland telt ongeveer 75.000 volwassen verstandelijk gehandicapten. Ruim 23.000 woont verzorgd. (SCP, september 2006)