Je geeft die troep toch niet aan een kind?
Over Ritalin, JAN maart 2010

Ouders die hun kinderen Ritalin geven, moeten worden aangeklaagd voor kindermishandeling, vindt het netwerk tegen kindermishandeling No Kidding. Hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie Frits Boer waarschuwt in een interview met De Volkskrant voor overdiagnosticering: ‘Kinderen moeten pilletjes slikken omdat hun omgeving niet adequaat handelt.’ En ook ontwikkelingspsycholoog Steven Pont keert zich in Het Parool fel tegen het te snel en op grote schaal voorschrijven van Ritalin. Kinderen met ADHD zouden meer gebaat zijn bij een uitgebalanceerd dieet van kalkoen, rijst en peer.
Ik denk terug aan Mees die vlak voor de zomervakantie huilend in bed lag. Hij wilde dat hij nooit geboren was en dat hij zijn leven over mocht doen. ‘Ik ben een mislukkeling,’ zei hij. Op zijn hand prijkte een wond die hij er zelf in had gewreven om zichzelf te straffen. Omdat nooit iets hem lukt. Mees heeft ADD (ADHD zonder de hyperactiviteitscomponent – een aandachtsstoornis), een diagnose waar wij ons jaren tegen hebben verzet. Want ook wij vinden dat er de laatste jaren wel ontzettend veel kinderen zijn met AD(H)D, PDD-NOS of een stoornis in het autistisch spectrum. En anders zijn ze wel hoogbegaafd. Alleen al in onze directe omgeving kan ik zo tien kinderen aanwijzen die Ritalin gebruiken. Dat kan toch niet goed zijn? Waarom mogen kinderen niet meer uit de toon vallen? Dromerig zijn of speels?
Pieter gaat zelfs zo ver dat hij denkt dat er eerst het medicijn was, en toen pas de ziekte. Een vergaande inmenging van de farmaceutische industrie. Felle discussies voerde hij met zijn zus, die haar kind – ook ADD – wèl Ritalin gaf. Was ze dan niet bang voor de consequenties op de lange termijn? Natuurlijk vond ze het niet prettig haar kind medicijnen te geven, zei ze, maar zonder functioneerde hij niet op school. ‘Of hij nou linksom of rechtsom wordt geslagen, geslagen wordt hij. En zo draait hij in ieder geval mee.’ Zij was de eerste die aangaf dat Mees wel eens ADD zou kunnen hebben, hij zat toen in groep 3, en ze wist zeker dat Pieter er vroeger ook last van had gehad. AD(H)D is erfelijk. Maar hoe meer ze erover zei, hoe minder Pieter ervan wilde weten. Hij redeneerde: met mij is het toch ook goed gekomen? Op de lagere school stond er steevast ‘te speels’ op zijn rapport. Altijd kreeg hij te horen dat hij dom was, en dat dacht hij zelf ook. Pieter deed de mavo, de havo en het vwo en studeerde vervolgens af in de filosofie. Oké, het was een lange weg, maar helemaal verloren vond hij die tijd niet. Hij had er karakter door gekregen, en doorzettingsvermogen. En dat zou hij Mees ook bijbrengen. Dat hij misschien iets meer zijn best moest doen dan andere kinderen, maar dat hij het zelf kon en zelf moest doen.  

Achterstand
Aan het eind van groep 3 had Mees een achterstand van driekwart jaar op alle gebieden: taal, lezen en rekenen. Halverwege groep 4 waren we wanhopig: remedial teaching hielp nauwelijks, elke dag met hem oefenen ook niet en we hadden te maken met een leerkracht die hem alleen maar vervelend vond en waarmee niet te praten viel. Het ging niet goed, hoorden we constant. Hij deed niet mee, luisterde niet, was alleen maar druk met zijn vriendjes. Nooit klonk er een enthousiasmerend: ‘Zo gaan we het aanpakken’, nee, het was een en al geklaag en opmerkingen als: ‘Dat heb je met die ADHD-kinderen.’ Waar hij bijstond. En zonder dat er ooit een diagnose gesteld was.
Die diagnose, daar was ik inmiddels wel benieuwd naar. Pieter niet. Mees zou er alleen maar door in een hokje gestopt worden, de leerkracht zou een excuus hebben voor haar falen en bovendien: wat hadden we aan zo’n diagnose? We wisten al dat hij zich moeilijk kon concentreren. We moesten er gewoon voor zorgen dat hij zoveel mogelijk rust en structuur kreeg en als dat op deze school niet lukte, moest hij maar naar een andere school. Voor een groot deel kon ik daarin meegaan, maar toch vroeg ik me af of zo’n diagnose niet ook kon helpen. Als je wist dat er een oorzaak was, viel zijn gedrag beter te accepteren. Dan was het geen onwil, maar onkunde. Nu werd hij de hele dag negatief benaderd. Door zijn leerkracht op school, maar ook door ons. Je kunt je wel voornemen alleen positief te zijn, maar als je de hele dag aan een dood paard staat te trekken, houdt het op een gegeven moment wel op met het enthousiasme. Dan is het: ‘Hou op!,’ ‘Schiet op!,’ ‘Werk nou eens mee!,’ ‘Doe het, Mees, nu! Nu! Nuuuuuh!’
Eind groep 4 zaten we samen bij de psycholoog van de ADD/ADHD-poli van Academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie De Bascule. Na uitgebreid onderzoek waren ze tot de diagnose ADD gekomen. Naast het bieden van zoveel mogelijk structuur en een oudercursus, raadden ze een behandeling met Ritalin aan. ‘Nooit!’ zei Pieter en hij stond op. Buiten brieste hij dat ze met hun poten van zijn zoon af moesten blijven, dat er niets mis was met hem. ‘Het is een heerlijk kereltje, hij is alleen een beetje dromerig. Ik ga gewoon nóg meer met hem oefenen.’

Andere school
Na lang wikken en wegen besloten we de kinderen na de zomervakantie naar een andere school te doen. Want nog een jaar deze leerkracht, dat konden we Mees niet aandoen. Er was een goed alternatief in de buurt: een beginnend schooltje dat geplaatst zou worden bij een nog te bouwen nieuwe wijk. Veertig kinderen in totaal. Mees zou in een gecombineerde klas komen met 18 kinderen, nogal een verschil met de 35 op zijn oude school. Maar belangrijker nog was dat we door deze directeur met open armen ontvangen werden. Hij vroeg ons naar wat Mees wèl kon, in plaats van wat hij niet kon. Hij vroeg ons hoe hij kon helpen. En hij besloot dat het allemaal best goed zou komen met Mees, hoe kon het anders met zulke ouders. ADHD-kinderen waren hartstikke leuk, zei hij, hij was er zelf ook een geweest. ‘Ik haal hem gewoon af en toe uit de klas om een potje te gaan voetballen. Moet je eens zien, hoe goed hij daarna oplet.’
Onze beslissing stuitte op nogal wat verzet bij de kinderen. Ze wilden op hun oude school blijven, bij hun vrienden. Zeker voor Tijl vond ik het zuur. Hij had geen concentratieprobleem en zat in een ontzettend leuke klas. En hij werd nu opgeofferd voor zijn broer. Ik had het gevoel dat ik moest kiezen tussen mijn kinderen. Omdat Tijl meer aankon, was hij de lul. Vlak voor de zomervakantie vertelde ik Mees z’n leerkracht van ons besluit. ‘Jammer,’ zei ze. ‘Ik had het wel een uitdaging gevonden.’
Op zijn oude school zat Mees na groep 3 en 4 nog steeds in leesniveau AVI 2. Op deze nieuwe school had hij na de kerstvakantie AVI 7. Opgelucht haalden we adem, we hadden de juiste beslissing gemaakt. Toch prijkten er nog steeds vooral onvoldoendes op zijn rapport. En zijn juf vertelde dat ze vaak niet wist hoe ze hem bij de les moest houden, iets wat we ook van de remedial teacher hoorden. Bijna elke dag kregen we huiswerk mee, om te voorkomen dat hij achter zou raken. Het begon Mees zelf ook op te vallen dat hij de enige was die altijd werk mee naar huis kreeg. ‘Zie je nou wel,’ zei hij. ‘Ik ben dom.’

Stroomversnelling
En toen kwam alles ineens in een stroomversnelling. Eerst vertelde mijn buurvrouw dat het nu zo goed ging met haar kind. Eerst was hij met geen stok naar school te krijgen, nu haalde hij alleen nog maar A’s. “Tja, Ritalin, hè,” zei ze schouderophalend. De dag erna belde mijn moeder, die leerkracht is op een basisschool. Ze had de moeder gesproken van een kind met ADD dat het jaar daarvoor bij haar in de klas had gezeten. Na lang twijfelen was die moeder begonnen met Ritalin, en ze had een ander kind gekregen. Opeens ging hij met plezier naar school, hij kon goed meekomen in de klas, dat kind was helemaal opgebloeid! Ze had zich nooit gerealiseerd hoe belangrijk het voor een kind is ook successen te behalen. Dat wilde ik ook voor Mees en toen Pieter thuiskwam uit zijn werk, vertelde ik enthousiast wat ik had gehoord. Zijn weerstand leek er alleen maar door te groeien. Na het eten begon hij met Mees aan het rekenwerk. “Hoeveel is 251 – 78?”, vroeg hij. “Eh, 200?” zei Mees die voorover op tafel lag. “Denk na, Mees!” zei Pieter, ‘251 – 78’. “Ehh, 300?” En toen werd Pieter zo boos. “Voor wie denk jij eigenlijk dat we elke avond zitten te oefenen?” riep hij. “Ja maar ik ben moe,” huilde Mees. “Moe? Je moet leren dat je je best moet doen om ergens te komen! Hoeveel is 251-78?” “Ik weet het niet!” gilde Mees en Pieter stormde de deur uit. ’s Avonds lag Mees te snikken in zijn bed. “Ik wou dat ik niet geboren was,” zei hij.

Ritalin
Na maanden wachttijd bij de Bascule en weer een jaar aanzien op een andere school, kon twee maanden wachten op de kinderpsychiater er ook nog wel bij. In de aanloop daar naartoe vertelden we vrienden dat we misschien toch een proeftraject Ritalin in wilden gaan. ‘Ben je gek,’ was de reactie steevast. ‘Je gaat die troep toch niet aan een kind geven?’ Gevolgd door horrorverhalen van kinderen die niet meer konden slapen en tics kregen in hun gezicht. In die periode was hoogleraar wetenschapstheorie Trudy Dehue te gast in Zomergasten. Ze had het over de maakbaarheid van het individu en het streven naar geluk en perfectie in onze samenleving. En wat dat doet met ons beeld van wat normaal is. De kwalijke invloed van de farmaceutische industrie op de toename in medicijngebruik bij psychische stoornissen. Hartstikke interessant, maar toen Pieter aankwam, klikte ik het beeld snel weg. Had ik hem net zover dat hij het wilde proberen...
En daar zaten we dan bij de kinderpsychiater met al onze vragen en twijfels over Ritalin. Het werd een verhelderend gesprek. Zo waren wij ontzettend bang voor wat Ritalin met de hersenen doet. Er werd van alle kanten gewaarschuwd voor de effecten van alcohol op het jonge brein, en dan stopte je er wel amfetaminen in. Dat rijmt niet voor ons. Daarover kon de psychiater kort zijn: alcohol en drugs zijn toxisch, Ritalin niet. Ritalin is na vier uur uit het bloed en het lichaam verdwenen, daarom neem je op schooldagen om 12 uur een tweede dosis. Ook was er, in tegenstelling tot wat wij dachten, al wel iets bekend over de effecten op de lange termijn; Ritalin wordt al ruim dertig jaar voorgeschreven. Er is een kleine groep kinderen die iets kan achterblijven in groei door het gebruik van Ritalin, waarschijnlijk door een verminderde eetlust. Gemiddeld is dat verschil één centimeter. Op de lange termijn opent Ritalin niet de weg naar verslavingen aan andere pepmiddelen. Sterker nog: kinderen met AD(H)D zijn verslavingsgevoeliger dan andere kinderen, vanwege een dopaminetekort in de hersenen. Op jonge leeftijd uit zich dat in veel tv kijken en computeren (en wij maar denken dat hij zich wèl goed kon concentreren!), in de puberteit op een gevoeligheid voor alcohol en drugs. Als je het onbehandeld laat. AD(H)D-kinderen die wel Ritalin krijgen, hebben minder kans verslaafd te raken aan alcohol en verdovende middelen dan gewone kinderen.
Iets anders waar we mee zaten: is Ritalin niets meer dan een lapmiddel? Je stopt er een pilletje in waardoor hij zijn trucje doet, maar zonder pilletje lukt het niet meer. Waardoor hij dus zijn hele leven pillen moet slikken. Ook niet waar. Bij kinderen met AD(H)D gaat er in de hersenen iets fout in de banen die de informatiedoorstroom verzorgen. Sommige banen lopen op niks uit, in andere zitten blokkades. Ritalin zorgt ervoor dat die banen open komen te liggen en doordat ze bewandeld worden, ontstaan er wel degelijk paden. Als in een dichtbegroeid oerwoud. De psychiater legt uit dat de leeftijd van 6-12 jaar een hele belangrijke periode is in het leren leren. Gaat er in dat proces iets fout, dan is dat later moeilijk in te halen. Als Pieter tegenwerpt dat het met hem toch ook goed is gekomen, merkt de psychiater op dat je opgroeien in de jaren ‘60/’70 niet kunt vergelijken met nu. Er komt nu zoveel meer informatie op kinderen af. Daarbij is Pieter dan via een omweg op dezelfde plek terechtgekomen als waar hij anders was geweest, maar met de meeste kinderen met AD(H)D loopt het minder fortuinlijk af. Die eindigen wel degelijk een paar stappen lager op de maatschappelijke ladder.
Qua gebruik van Ritalin is er een piek te zien in de leeftijd van 7/8 jaar, omdat dan achterstanden gaan opvallen, en een bij 13 jaar, als kinderen naar de middelbare school gaan. De meeste kinderen stoppen ermee als ze een jaar of 14/15 zijn. Dan hebben ze zich het nieuwe leren eigengemaakt en kunnen ze het op eigen kracht.

Slaat het aan?
Rest de vraag of het bij Mees aan gaat slaan. Grofweg is dat in 70% van de gevallen. Het plan is als volgt: de eerste week krijgt hij 5 mg, de tweede week 10 mg en de derde week 15 mg. Zowel de leerkracht als wij houden lijsten bij van zijn gedrag en na drie weken evalueren we wat de effecten zijn en of het zin heeft door te gaan.
Op de eerste dag is aanvankelijk weinig te merken. Mees is gezeglijk, dat wel. De omslag komt na de tweede pil, om twaalf uur. Mees wil Iets Doen. Hij rent naar boven om zijn kamer op te ruimen, want ‘vanaf nu gaan de dingen veranderen!’ Hij wil ruimte, ruimte in zijn hoofd en ruimte op zijn bureau. Alle knuffels gaan eruit, want die zijn kinderachtig, ook de boeken worden uitgezocht. Hij maakt twee stapels: een voor Tijl en een voor Keet. Een paar uur later heeft hij de Dijkerbuurtkrant opgericht, een strip getekend – want die hoort in de krant – en is hij buiten buurtbewoners aan het interviewen. Op zijn kamerdeur hangt een groot plakkaat: Niet storen! In noot wel.
Alhoewel wij het resultaat al verbluffend vinden, is er op school nog weinig te merken. Dat verandert in de tweede week als hij op 10 mg zit. Na twee dagen spreekt zijn leerkracht me aan, ze weet niet wat ze meemaakt! Mees zit in de klas op het puntje van zijn stoel, heeft alles meteen door en stelt slimme en gerichte vragen. Mees zelf zegt zich vrolijk en blij te voelen, en slim, want alles lukt opeens. En hij heeft ontzettende zin om op te ruimen!’ We bellen de psychiater: ‘Niks meer aan veranderen, top!’ De testfase is afgerond.
We zijn inmiddels een half jaar verder. Het gaat hartstikke goed met Mees. Stevende hij vorig jaar nog hard af op een VMBO-advies, nu zegt zijn juf dat hij makkelijk havo/vwo aankan. Tegen de mensen van actiegroep No Kidding zou ik willen zeggen: wij hadden Mees tekort gedaan als we hem geen Ritalin hadden gegeven. Met hoogleraar Frits Boer ben ik het eens dat je zo’n stap niet lichtzinnig moet nemen, maar eerst moet kijken of gedragsveranderende maatregelen helpen. Tegen Steven Pont: neem zelf een stukje kalkoen. Ik ken dat dieet van hem, zo veelbelovend is het nou ook weer niet. Wat ik bovenal storend vind aan dit verhaal is dat ouders die het allerbeste met hun kind voorhebben, wordt aangepraat dat ze de makkelijke weg kiezen. Weet je wat: we gaan niet opvoeden of passend onderwijs zoeken, we gooien er gewoon een pil in. Ik ken geen ouder die makkelijk doet over Ritalin. Het is een noodmiddel, als al het andere niet werkt. Als je merkt dat je kind ongelukkig wordt omdat hij niet meekomt. En dan kan het verdomd goed werken. Dan geef je je kind toch opeens een hele andere toekomst.

En Mees? Die stuurt z’n moeder weer eens een blij smsje: Mam, ik heb een tien voor mijn topo!