Niet meer bij papa en mama wonen
J?M oktober 2005

Het is twaalf uur ’s middags en een drukte van belang in huize Van Loenen. De kinderen komen een voor een uit school, maken in de keuken hun eigen lunchbordje klaar en gaan zitten aan de enorme eettafel. Fernando (15) heeft het hoogste woord. Hij vertelt honderduit over een akkefietje op school tussen twee jongens, waar hij zich wijselijk buiten hield. Moeder Pauline prijst hem. Hij laat een zilverkleurig voorwerp zien dat hij met handenarbeid heeft gemaakt. Het is een klem om brieven tussen te stoppen. Fernando grijnst trots als het de tafel rondgaat.
Het lijkt een normaal tussen-de-middag-tafereel, van een doodgewoon gezin, maar dat is het niet. Fernando is niet het kind van Pauline Clement (36) en Dave van Loenen (34), hij is onder toezicht gesteld en woont bij het echtpaar in op het terrein van de Hoenderloo-groep; een internaat voor jongeren die niet meer thuis kunnen wonen. Net als Miranda (13), Serdar (13), Dennie (15), Johan (17) en Nicky (16). Pauline en Dave hebben ook nog twee eigen kinderen, Tess (5) en Isabelle (2). Die wonen er ook. Plek zat, voor al die kinderen. Naast de gezellige woonkeuken – uiteraard van alle gemakken voorzien, is er een lap van een woonkamer, een computerkamer, een aparte speelkamer voor de twee kleine meisjes, op de bovenverdieping voor iedereen een eigen slaapkamer, een paar badkamers, een waskamer en het afgesloten slaapvertrek van het echtpaar. En laten we de tuin niet vergeten, 3000 m2 rondom. Met boomhutten waarin zomers geslapen kan worden, uitklapbaar zwembad, haardvuur en een speelhuis voor de kleintjes. “Ja, het is luxueus,” lacht Pauline. “Drie ochtenden in de week komt de schoonmaakster, het gras in de tuin wordt eens per week gemaaid en elke keer als ik denk: ik mag wel weer eens wat onkruid trekken, zie ik opeens een tuinman rondschuifelen.”

Pauline hoefde niet lang na te denken toen haar man Dave met het voorstel kwam groepsouder te worden van een gezinsgroep op Hoenderloo. Dat houdt in dat je al dan niet met je eigen gezin op het bosrijke terrein van Hoenderloo gaat wonen en zes jongeren erbij krijgt. Dave werkte al als groepsleider op het internaat, zij werkte als vertegenwoordiger en keek net uit naar iets nieuws, omdat ze moeite had met het contrast tussen de harde zakelijke wereld en haar warme moedergevoelens thuis. “Normaal besteed je je kind uit als je naar je werk gaat, nu hebben we alle tijd en aandacht voor ze, omdat we thuis al op het werk zijn. Dit is onze baan. Zorgen voor de kinderen,” zegt ze. Goed, het zijn er misschien wat meer dan normaal, de aandacht moet verdeeld, maar de jongeren gaan overdag naar school (er zijn twee scholen op het terrein: Het Hoenderloo-college bestaat uit een VMBO en de bovenbouw van de basisschool) en zijn ’s middags druk bezig met clubjes en huiswerk. Om het weekend en vier weken in de zomervakantie gaat het hele spul naar eigen ouders, pleegouders of weekendopvang en heeft het gezin het rijk alleen.
Vier jaar doen ze het nu en ze hebben al diverse kinderen zien komen en vertrekken. Dave: “Gemiddeld blijven kinderen een jaar of drie, vier. Als ze zeventien zijn, gaan ze begeleid op kamers wonen op het terrein om zich voor te bereiden op een leven buiten Hoenderloo, als ze op hun achttiende uitbehandeld zijn.” De meeste ouderparen doen dit werk maar een jaar of vijf, zes, want het is best zwaar, vertelt Pauline. Zij niet, zij vinden het nog geweldig. “Dat komt doordat we het niet als werk zien. Wij vinden het een voorrecht dat we het gezinsleven zo’n centrale rol in ons leven kunnen laten spelen. En het is alleen maar mooi dat we anderen daarin kunnen laten delen. Dat we de jongeren een voorbeeld kunnen geven van hoe het ook kan.”

De jongeren die op Onderwijs- en Jeugdzorginstelling Hoenderloo wonen, zo’n 360 in totaal, hebben allemaal een problematische achtergrond. Ze hebben gedragsproblemen, sommige zijn verwaarloosd, misbruikt en/of mishandeld en zijn met zichzelf, hun omgeving en soms ook met justitie in de knoei gekomen. Vaak hebben ze al een heel traject van diverse pleegouders en internaten doorlopen. Hoenderloo is voor velen een laatste uitkomst. Als het hier niet lukt, volgt een gesloten instelling. De Hoenderloo-groep bestaat uit vijf divisies, met elk een eigen benadering. De Glenn Mills School in Wezep is naar Amerikaans voorbeeld speciaal gericht op bendeleden, er is een divisie voor kinderen met ernstige ontwikkelings- en persoonlijkheidsstoornissen en er zijn divisies met leef- en gezinsgroepen voor de jongeren wiens ouders de zorg niet aankonden en daardoor verwaarloosd en/of mishandeld zijn. In de gezinsgroepen, zoals bij Pauline en Dave, komen jongeren die nog in staat zijn om relaties aan te gaan met mensen en open staan voor geborgenheid, daar ook behoefte aan hebben. De meeste jongeren in de leefgroepen zijn dat stadium al voorbij. Zij hebben vooral structuur en duidelijkheid nodig en vinden het wel prettig, die wisselende groepsleiders.
Niet het soort kinderen dat je nou meteen in de directe omgeving van je eigen kind wenst, toch zijn Pauline en Dave niet bang voor slechte invloeden of gevaarlijke situaties. Dave: “We laten de jongeren niet een blokje om gaan met onze dochters, met name omdat we ze niet met de verantwoordelijkheid willen opzadelen, maar over het algemeen gaat het prima. We vinden het juist heel goed dat onze kinderen leren dat de wereld niet alleen om hen draait. Tess gaat naar de basisschool in het dorp en daar valt het de juffrouw op dat ze zo sociaal is.” Natuurlijk vindt er thuis wel eens een woordenwisseling plaats die niet voor kleine kinderoren bedoeld is. In dat geval neemt Pauline of Dave de meisjes even mee naar boven. “Maar we zorgen er wel altijd voor dat ze zien dat het ook weer opgelost wordt.”
In één ding zijn Dave en Pauline streng: er wordt niet geknuffeld met de meisjes. Dit om één lijn te trekken, legt Dave uit. “Van de een zou je het beter kunnen hebben dan van de ander, dan maar gewoon niet. Ook willen we voorkomen dat onze kinderen te zeer gehecht raken aan de jongeren, ze gaat toch na een jaar of vier weer weg. En zo blijft het ook duidelijk voor de jongeren: dit is ons gezin met onze kinderen, zij hebben eigen ouders en broertjes en zusjes.” Afstandelijke betrokkenheid, zo noemen ze dat. “Wij bieden structuur, veiligheid, zorg en gezelligheid, maar we zijn niet hun ouders.” Pauline is ook niet overdreven knuffelig met de jongeren, zelfs niet ter compensatie. “Zo zit ik niet in elkaar, maar volgens mij missen ze het ook niet. Ze zijn natuurlijk ook al wat ouder.”

Het zijn geen slechte kinderen die hier zitten, stelt Dave. “Mensen noemen het probleemjongeren, maar het zijn jongeren mèt een probleem. En dat probleem begint vaak bij de opvoeding. De jongeren die hier binnenkomen zijn van hot naar her gesleept. Vaak hebben ze een houding van: we zullen wel weer zien. Ze zijn afstandelijk, op hun hoede, boos. Deze kinderen zijn keer op keer teleurgesteld, nooit getroost, ze moesten maar zien wanneer ze verschoond werden of te eten kregen. Er zijn kinderen die meteen al het eten van tafel grissen als ze hier binnenkomen. Niet omdat ze het de anderen niet gunnen, maar omdat ze gewend zijn dat het zomaar weer twee dagen kan duren voordat je weer wat te eten krijgt.”
Van iedere jongere die binnenkomt, krijgen Pauline en Dave een dossier, met daarin het achtergrondverhaal. Pauline: “Daar verdiep ik me wel in, maar niet teveel, het is vaak zo schrijnend.” Het stel staat bewust niet teveel stil bij wat de jongeren allemaal hebben meegemaakt. Dave: “We beginnen hier opnieuw. Als een jongere de confrontatie opzoekt, kan ik niet steeds in mijn achterhoofd houden dat daar een reden voor is. We zijn nu hier en hier gelden deze regels. Je helpt ze niet met medelijden. Het is heel vervelend wat ze hebben meegemaakt, maar ze moeten nu verder.”

Natuurlijk escaleert het wel eens. Zeker als de jongeren net binnenkomen, zoeken ze grenzen op. In het begin was Pauline veel te lief, dat werkte niet, daar werd misbruik van gemaakt. Nu ze strenger is, krijgt ze meer respect. Dave blijft altijd rustig en zakelijk bij escalaties. “Alleen dan kan ik goede afspraken maken. Half negen naar bed, is half negen naar bed. Niet een minuut over half negen, dan zijn het er morgen twee. Ben je te laat, dan ga je de volgende dag een uur eerder.” Luisteren ze niet, dan heeft dit consequenties. Moeten ze het terras vegen, of opschrijven wat ze fout hebben gedaan. Pauline: “Het is makkelijker om het kind van een ander op te voeden, daar ben je emotioneel toch minder bij betrokken. Doordat het je minder raakt, kun je eenvoudiger grenzen stellen.”

Pauline en Dave worden bijgestaan door een orthopedagoog, waar ze een keer in de week overleg mee hebben. Iedere jongere heeft een eigen behandelplan en elk half jaar wordt gekeken of de ontwikkeling volgens plan verloopt en of de doelen zijn behaald. Een doel kan zijn: minder agressief reageren, beter mijn best doen op school, of me beter inleven in anderen en de situatie. Dave: “De jongeren zijn sociaal onhandig, weten niet welke grappen wel en niet kunnen, hebben soms geen geweten. Als je nooit gecorrigeerd bent, krijg je niet zomaar een verinnerlijkt geweten.” Soms is de overgang een enorme krachtmeting. Johan, bijvoorbeeld, was erg overheersend toen hij binnenkwam. Hij domineerde de hele boel, wilde iedereen naar zijn hand zetten. En als hij tegenwicht kreeg werd hij woest. Dreigde met zelfmoord, of het hele huis kort en klein te slaan. Dave: “In zo’n geval moet je heel rustig blijven. Zeggen: ‘Neem die pillen maar, maar doe het niet hier.’ Hij moet zien dat hij je niet kan raken en vervolgens geef je hem enorm op z’n donder. Je moet dat pantser breken, pas dan kun je praten.”

Het is moeilijk voor te stellen als je het rijtje kinderen aan tafel ziet. Ze zijn rustig, bijna gedwee, luisteren geïnteresseerd naar elkaars schoolverhalen. Johan vraagt even stilte voor het gebed, hij is de enige die dankt voor het eten, maar iedereen houdt beleefd zijn mond. Als ze van buiten naar binnen lopen, trekken ze netjes hun schoenen uit en degene die dagtaak heeft (ieder kind doet een dag in de week alle huishoudelijke taken), ruimt na de lunch zonder morren de boel op. Fernando kijkt op de gezinsagenda welk clubje hij vanmiddag heeft. DJ-les. Leuk. Hij zit ook op zaalvoetbal, maar had ook kunnen kiezen voor tennis of drummen. Pauline: “Alle kinderen hebben minimaal twee clubjes in de week. Er is een vrijetijdsteam, een manege, een tennisbaan, een voetbalclub, van alles. Die clubjes zijn er om kwaliteiten naar boven te halen. Deze kinderen hebben een inhaalslag te maken, ze hebben lange tijd niks gehad. Als ze merken dat ze ergens goed in zijn, geeft dat een boost voor hun zelfvertrouwen, bovendien ontspant sport en ze leren erdoor omgaan met andere kinderen.”

Ja, Fernando heeft het wel naar zijn zin, hier op Hoenderloo. Nee, herstel: bij Pauline en Dave. Toen hij een jaar geleden binnenkwam, zat hij eerst een paar maanden bij een leefgroep, omdat er nog geen plek was in een gezinsgroep. Dat was niet leuk. Er heerste een bijna militair regime van ritme en regels en je moest vechten voor je boterham. Bij Pauline en Dave heeft hij veel meer vrijheid. Ja, je moet bij Dave geen gekkigheid uithalen, dat weet hij ook wel, maar dat doet hij dan ook niet. Hij gaat naar school, zijn clubjes en af en toe naar de stad. Met de andere jongeren in huis kan hij het ook goed vinden, dus ja, hij vindt het wel fijn. Al zou hij het allerliefst natuurlijk thuis wonen.

Thuis woont hij al vijf jaar niet meer. Het ging niet goed met zijn moeder. Nadat haar vader, met wie ze een sterke band had, overleed, begon ze in zichzelf te praten. Ze kon om het minste geringste woest worden en begon dan te schreeuwen en te schelden en met dingen te gooien. Bang? Nee, Fernando was niet bang voor haar. “Als ze iets naar m’n hoofd gooide, smeet ik het gewoon terug.”
Zijn vader vond evenwel dat het genoeg was. Mams werd opgenomen en vader bleef achter met vier kinderen. Dat bleek moeilijk te combineren met een fulltime baan, dus werd besloten dat de jongste twee kinderen bij een tante zouden gaan wonen en de oudste twee uit huis zouden gaan. Zijn oudere zus zou naar een pleeggezin gaan, Fernando was bijna tien en stond op de wachtlijst van internaat Lieveshoven in Oosterhout. Het zou zeker nog een jaar duren voor er een plek was, werd er gezegd. Maar op zijn tiende verjaardag kreeg zijn vader een telefoontje. Fernando mocht komen, de volgende dag al. Op zijn verjaardag pakte Fernando zijn koffertje, ’s avonds kwam de visite. Fernando: “Iedereen moest huilen. Ik ook.” De volgende ochtend vertrok hij, hij bleef vier jaar in Lieveshoven, een plek waar hij niks mocht. Een keer in de week, op zondag, ging hij naar huis. 
Fernando schudt zijn hoofd bij de herinnering, hij zit nu hier, hier is het goed. Om de week gaat hij een weekend naar zijn vader en als het maar een beetje lekker weer is, gaan ze naar de camping in Zeeland, waar pa een eigen caravan heeft. Zijn moeder ziet hij ook af en toe, die woont begeleid en het gaat al een stuk beter met haar. “Daar ben ik heel blij om,” zegt Fernando.

Miranda is het enige meisje in huis. Daar hebben Dave en Pauline bewust voor gekozen, met meer meisjes krijg je maar problemen. Onderling zijn ze vals en gemeen en jongens en meisjes samen geeft ook gerotzooi. Maar met Miranda gaat het goed. Die zat eerst in een andere gezinsgroep op Hoenderloo, maar daar kon ze niet aarden, daarom kwam ze tijdelijk even bij Dave en Pauline en nu zit ze er alweer een jaar. Miranda vindt het best zo met de jongens, met de meisjes op het terrein heeft ze niet zoveel. Er zit een meisje bij haar in de klas, ja, dat is wel een soort vriendin. Maar verder? Ze haalt haar schouders op. Het maakt haar allemaal niet uit. Volgens Pauline trekken de meisjes van Hoenderloo sowieso niet zoveel met elkaar op. De jongens gaan nog wel eens voetballen, maar de meisjes... Het zijn er ook heel weinig, maar tien in totaal. Dan moet er maar net iemand tussen zitten, vindt ook Miranda.

Miranda is 13 en dit is haar zesde huis. Ze was net 5 toen zij en haar twee oudere zussen uit huis werden geplaatst. Ze weet niet waarom, wil het ook niet weten, maar het is vast niet voor niks geweest, zegt ze. Pauline weet te vertellen dat Miranda’s ouders vaak ruzie hadden, maar meer is haar ook niet bekend. Staat niet in het dossier. En Miranda vertelt niks, ze klapt dicht, zodra je ernaar vraagt. Ze heeft een leuk pleeggezin gehad, daar is ze vijf jaar geweest. Maar toen gingen haar pleegouders scheiden en kon haar pleegmoeder het niet meer aan. Miranda ziet haar nog steeds een keer per maand, als gastgezin in het weekend. Er volgden wat korte verblijven, een leefgroep en een pleeggezin waar het niet goed ging. “Ik was niet goed genoeg,” zegt Miranda mat. Volgens Pauline verwachtten die pleegouders teveel van haar, alsof ze een eigen dochter was, maar dit soort kinderen kun je niet teveel sturen. Vaak gaat het om die reden fout bij pleegouders, die zijn emotioneel teveel betrokken en zijn teleurgesteld als een kind niet meewerkt.

Miranda oogt vriendelijk, een beetje schuchter, dat wel. En verdrietig, dat ook. Een paar keer lichten haar ogen op. Als ze aan tafel de brochure van de plaatselijke drogist bekijkt en daar een pareltjesfoundation ziet die haar wel bevalt en als ze met de hond speelt. Ze wil later wel iets met dieren gaan doen. In tegenstelling tot de jongenskamers is haar kamer netjes en opgeruimd. En meisjesachtig. Het hangt vol posters van pony’s en Idols-zangeres Dewi. En foto’s. Massa’s foto’s. Foto’s van haar als klein meisje, vakantiekiekjes, van een toen nog stralende Miranda. Ze laat haar fotoalbums zien, het zijn albums zoals iedereen die in de kast heeft staan, met foto’s van doodnormale ouders. Een paar foto’s zijn speciaal voor haar, ze bewaart ze in een apart envelopje voorin de map. Het zijn kleine fotootjes (4 x 3 cm) van vlak na de bevalling. Miranda op de borst van haar moeder, Miranda nog aan de navelstreng. Miranda glimlacht even als ze ernaar kijkt en bergt ze weer netjes op. Op het prikbord boven haar bed hangt papa’s mobiele nummer. Ze ziet haar ouders een keer per maand, dan komt het oude gezin van vroeger weer samen. Begeleid door een maatschappelijk werker en voor één dag, ze blijft nooit slapen. Of het leuk is als ze ze ziet? Ze haalt haar schouders weer op. ‘Ja hoor, best.’
Kinderen reageren heel verschillend, vertelt Pauline. Sommige praten juist graag over wat er gebeurd is, Miranda is heel teruggetrokken. Die vertelt niks, maar vermaakt zich wel zo in en rond het huis. Ze heeft een paar clubjes gedaan. De kookclub vond ze niet vervelend, knutselen wel leuk, met paardrijden is ze gestopt sinds een paard op hol sloeg. Maar ze is al enorm veranderd. Toen Miranda net binnenkwam, verstijfde ze helemaal als je haar aanraakte. Nu is ze veel losser, ze vertelt wel eens wat over school en pas maakte ze spontaan een dansje.


Sommige kinderen willen niks meer met hun eigen ouders te maken hebben, maar Pauline blijft toch stimuleren dat ze eens in de week bellen of eens een kaartje sturen. “Het blijven toch de ouders. Maar ouders kunnen ook heel kinderachtig zijn hoor. Als we dan vragen of ze wat vaker willen bellen, zeggen ze: ‘Hij belt toch ook niet?’” De jongeren zijn onder toezicht gesteld, dat betekent dat de ouders ze niet vrijwillig hebben opgegeven, maar dat de maatregel door de rechter is opgelegd. In sommige gevallen krijgen de ouders een omgangsregeling. “Vaak zijn ze in het begin heel wantrouwend naar ons toe,” vertelt Pauline, “maar uiteindelijk ontdooien ze wel en vinden ze het ook wel lekker dat hun kind verzorgd wordt. Tenslotte waren zij daar zelf niet toe in staat.”
Pauline en Dave verwachten niet dat de jongeren op hun knieën liggen van dankbaarheid. Het is al heel wat als ze ze zien veranderen en iets kunnen meegeven van hoe het kan zijn. En ze merken het toch wel, dat de kinderen waarderen wat ze voor hen doen. De jongeren hebben allemaal een eigen kamer, maar daar zitten ze eigenlijk nooit. Iedereen vindt het gezellig beneden in de woonkamer te zijn. Of als ze zeggen: ‘Eigenlijk ben ik liever hier’, als ze een weekend weggaan. En met moederdag kreeg Pauline een bloemetje. “Daar was ik wel even stil van. Ik vervang natuurlijk nooit hun echte moeder, daarom probeer ik ook een bepaalde afstand te houden, maar blijkbaar beteken ik toch wel veel voor ze.”

J/M oktober 2005