Kapotte wasmachine
JAN 2011

Een wasmachine kan om drie redenen stuk gaan:

1. zomaar

2. ouderdom

3. iets blokkeert

En dat ’iets’ wordt vaak omschreven als een bh-beugeltje, maar dat is slechts zelden het geval en bovendien wederom een lafhartige poging de vrouw de schuld te geven van iets waar zij niet debet aan is. Nee, dat ’iets’ is meestal een object dat kinderen in hun zakken achterlaten: steentjes, keien of, in dit geval: schroeven. Daarnaast was er een doosje tandenstokers in de wasmand gevallen, hoe anders kun je verklaren dat er minstens dertig gezwollen houten staafjes de doorgang van de pomp belemmerden? 

De monteur keek mij hoofdschuddend en bedroefd aan. ’Mevrouw, u moet echt beter opletten,’ zei hij. ’Dit is toch zonde van het geld?’

Ik begon meteen te sputteren en te doen en zei met licht overslaande stem: ’Ik? Ik? Die kinderen zul je bedoelen!’ 

De oorzaak van al het kwaad.

Wat wil het geval: ze zijn geweren aan het maken. Nieuwe hobby. Inmiddels hebben ze bestellingen uitstaan van kinderen tot ver in de wijde omtrek en maak ik wekelijks een tripje naar de doe-het-zelf-zaak om houten latten, pvc-buizen, haakjes, schroeven en zwarte en zilveren spuitverf te kopen. Waarna de heren aan de slag gaan, en een klein fortuin verdienen.

In een huishouden als het onze merk je pas hoe belangrijk de wasmachine is als hij het niet meer doet. Een eerste levensbehoefte, bijna nog belangrijker dan eten en zeker dan sex. Stapels wasgoed blokkeerden de doorgang in de badkamer, de kledingkasten raakten allengs leger en op het laatst waren wij genoodzaakt ons te hullen in gescheurde vodden. Want komen doet zo’n monteur niet snel. Zeker niet als je het op safe via de dealer speelt. Dan kun je zelfs wachten tot je een ons weegt, terwijl je jezelf warm houdt met een omgeslagen oude dekbedhoes.

Na een week wachten schakelde ik zelf een monteur in, die na vier dagen kwam en mij dus ook nog de les durfde te lezen. 
’Er moet een doosje tandenstokers in de wasmand gevallen zijn,’ zei ik met gebogen hoofd.

Hij knikte en hield een paar flinke schroeven omhoog. ’En dit?’

’Geweren.’

Om de jongens te laten zien wat zij hadden aangericht, legde ik de hele stapel schroeven en gezwollen houtjes op de tafel. Het maakte weinig indruk. Ja, Tijl schoot omhoog toen hij er een centje tussen zag, bekommerde zich niet om de stinkende derrie waarmee het omhuld was en stak het in z’n zak.

Dus nu kwijt ik me toch maar van de moederlijke taak van het controleren der zakken. Centen, schroeven, snoeppapiertjes die zeker niet uit ons huis komen en hele ladingen zand. Uit die van Pieter: pennen, geld, papiertjes, bonnen. Hotelbonnen. Nee hoor, maar dat laatste stel ik me dan zo voor als ik zijn zakken uitgraaf. Ik dacht: het zal me toch niet gebeuren dat er nu, door een kapotte wasmachine, opeens een heel verborgen en schimmig leven aan het licht komt, waarna mijn huwelijk naar de knoppen is en ik gedwongen wordt voortaan met drie huilende kindjes op een tochtige bovenverdieping te verblijven.

Zo was het niet, maar als ik de buit van één keer zakken controleren zie die normaal gesproken dus elke dag bij ons door de waterleidingen raast, verbaast het me dat die wasmachine niet veel vaker stuk is en dat er überhaupt nog water uit de kranen komt. 
De 75 euro die de monteur mij rekende voor nog geen vijftien minuten werk, heb ik van Mees en Tijl’s spaarcenten betaald. Een stukje eigen verantwoordelijkheid, om in kabinetstermen te spreken.