Suzanne krijgt opvoedles van Supernanny
Flair 2005

Ook ik zit elke zondagavond, net als 1 miljoen andere kijkers, te smullen van Eerste Hulp bij Opvoeden. Supernanny Jo Frost is mijn heldin. En elke week duurt het niet lang voordat ik tranen zit weg te pinken. Omdat de situaties zo herkenbaar zijn. De continue strijd met de kinderen, het gevoel van machteloosheid, het zo graag goed willen doen, maar daar op de een of andere manier maar niet slagen. En ik herken ook de machteloosheid bij de gefilmde kinderen. Het zoeken naar grenzen, in de contramine. Tja, bij een ander is het zo makkelijk te zien wat er fout gaat.


Ik wilde ook een nanny. Iemand met verstand van opvoeden die mij precies zou gaan vertellen hoe ik van mijn kinderen gelukkige, welopgevoede wereldburgers zou maken. Maar enig rondvragen leert mij dat ik daarvoor niet bij een bemiddelingsbureau in nanny’s moet zijn. “Welnee,” lacht Miranda van Beusekom van bureau Need a Nanny. “Die Jo Frost heeft vijftien jaar als nanny gewerkt en maakt nu handig gebruik van de ervaring die ze heeft opgedaan. Maar normaal gesproken is het echt niet de bedoeling dat nanny’s ouders het huis door commanderen. Integendeel. Nanny’s hebben de regels van het huis te volgen.” Volgens Miranda moet ik dan ook geen nanny hebben, maar een opvoedkundige.


 


Net zo kordaat als Jo Frost


Sandra Veenstra, van opvoedkundig praktijk Grow’n’up, heeft wel iets weg van Jo Frost: dezelfde kordaatheid, dezelfde vastberadenheid. Met haar valt niet te spotten, dat zie je zo. Mees ziet het ook en weet niet of hij blij moet zijn met deze gast in huis. Als ze een hand geeft, wijst hij die accuut af en hij verstopt zich demonstratief onder de stoel. De komende paar uur zal hij een paar keer vragen of ze nou al weggaat.


“Wat zijn de problemen?” had Sandra me tijdens het intakegesprek een week geleden gevraagd. Bij Mees noemde ik de strijd die op sommige dagen maar niet lijkt op te houden. Niet luisteren, snel boos worden, kont tegen de kribbe. We reageren ook verkeerd op elkaar, zei ik. Op de een of andere manier explodeert het altijd tussen ons. Daarnaast vind ik hem ook erg gemeen naar Tijl toe. Hij probeert vaak zijn vingertjes naar achteren te duwen en slaat in het voorbij gaan op zijn hoofd. En wat betreft Tijl: die begint behoorlijk op onderzoek te gaan en doet eigenlijk vooral dingen die niet mogen. De deur van de oven opendoen en daar vervolgens op gaan staan, hetzelfde bij de vaatwasser, de magnetron aanzetten, liefst met een autootje erin, de dvd-speler aan en uit. En hij gaat maar door, wil van geen ‘nee’ horen. Sterker nog: dat lijkt hem alleen maar aan te sporen. Bij Tijl wil ik weten hoe ik hem kan disciplineren.


 


Bokkig


Sandra komt twee dagdelen. Vandaag is ze er om half twee ’s middags en blijft tot en met het avondeten, morgen komt ze ’s ochtends en zal ze blijven tot een uur of twee. Zo heeft ze alle momenten van de dag te pakken. Het begint dus al goed, met Mees bokkig onder de stoel. “Laat hem maar,” zegt Sandra. “Hij heeft niet om mijn komst gevraagd.” Maar als Mees gaat dweilen en schoppen, vindt ze dat ik in actie moet komen. Hij mag best even boos zijn, maar heeft zich niet onbehoorlijk te gedragen. Ik loop naar Mees toe, zak door mijn knieën (ja, ik heb goed opgelet bij Jo-Jo) en zeg: “Mees, ik wil niet dat je je zo gedraagt. Anders ga je op de trap.” Die toon moet veel strenger, vindt Sandra, ik klink veel te aardig. Normaal doen moet geen vraag zijn, dat is een vereiste.


Ze wil het even hebben over het zitten op de trap. Supernanny Jo Frost kan het dan wel propageren, Sandra is geen voorstander van de stouttrap. Eigenlijk zijn alle plekken in huis waar je normaal verkeert niet geschikt als strafplek. Vanwege de associatie. Die trap daar moet hij wel een paar keer per dag overheen, daar hoort hij geen nare gevoelens bij te hebben. Veel beter is een klein stoeltje op een plek die wat afgelegen is en waar hij verder nooit komt. Die hebben we. De serre in de achterkamer is perfect. Er staan alleen twee kasten die we gebruiken als archief en verder is het er hartstikke saai – goed voor bezinning. Helemaal afgesloten van de rest zit je niet, want je kunt gewoon de woonkamer inkijken. Enthousiast haal ik van boven een klein stoeltje en zet die in de hoek.


Ik ben nog niet gaan zitten of Mees begint met Lego-steentjes te gooien. Naar mij, maar ook naar Sandra. Sandra staat meteen op, pakt Mees bij zijn arm, zegt op besliste toon: “Dit accepteer ik niet. Je mag niet met steentjes gooien” en zet hem op zijn stoeltje. Vijf minuten. Wij gaan weer in de woonkamer zitten, ik met een opgewonden en enigszins verheugd gevoel dat ik niet helemaal kan plaatsen, en Sandra legt uit dat het helemaal niet hard is als je duidelijk bent. Sterker nog: kinderen hebben er recht op dat je ze ondersteunt. “Als jij flauw valt en je leunt tegen een muur, ben je heel blij dat die muur er staat en niet meegeeft, want dan kun je veilig wegzakken,” zegt ze ter illustratie. “Jij moet die muur voor hem zijn.”


 


Pas op voor doorslaan in het grenzen stellen


Het is belangrijk dat Pieter en ik samen beslissen welk gedrag we acceptabel vinden en wat niet, zodat we eenduidig zijn. Vaak zie je dat als ouders eenmaal grenzen gaan stellen, ze daar in hun enthousiasme in doorslaan, waarschuwt Sandra. “Dan hoeft het kind z’n mond alleen maar open te doen, of hij staat alweer in de hoek. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.” Gewoon een lijstje: dit mag wel en dit niet en dan weet iedereen waar hij aan toe is. Doen ze iets fout, dan geven we eerst een standje, blijven ze doorgaan, dan gaan ze op de stoel. Mees vijf minuten, Tijl twee, naar leeftijd. Verder is het belangrijk dat als ik een conflict heb met Mees, ik ook degene ben die het oplost. Als Pieter het op zo’n moment van me overneemt, en dat gebeurt vaak, ik geef het meteen toe, creeren we een machtsongelijkheid naar de kinderen toe en dat is niet goed. Wij moeten samen op één lijn zitten.


De vijf minuten zijn voorbij en Mees mag van zijn stoel komen. Van Sandra hoeft hij niet excuses te maken. Het is natuurlijk mooi als hij uit zichzelf sorry zegt, maar hij voelt zich al gestraft door op de stoel te zitten, hem ook nog dwingen tot excuses maken zou vernederend zijn. Hij is goed geluimd, rustig en stelt voor te gaan knutselen. Dat vind ik een goed idee. Ik pak Het allerleukste knutselboek voor kinderen erbij (gekocht in een poging een goede moeder te zijn) en Mees zoekt een indianentooi uit die hij van papier gaat maken. De rest van de middag zitten we gezellig te knutselen.


 


Zelf doen


Sandra is er een voorstander van de kinderen zoveel mogelijk zelf te laten doen, dat is goed voor hun zelfvertrouwen en zelfcontrole. Tijl (bijna twee) kan zichzelf bijvoorbeeld met simpele kleding al best aankleden. “Hij kan lopen, dus heeft hij controle over zijn spieren,” zegt Sandra. “Hij zou zelfs al zindelijk kunnen worden.” Hij kan zichzelf (oké, met een beetje hulp) aankleden, we kunnen hem mee laten helpen in de keuken (hij kan bijvoorbeeld een banaan in plakjes snijden met een kindermesje, terwijl ik aan het koken ben) en hij kan ook zijn eigen eten opscheppen. Eigen eten opscheppen? Sandra knikt me bemoedigend toe. Het is heel belangrijk je constant af te vragen: welk signaal geef ik af?, zegt ze. “Kinderen vinden het, terecht, vaak heel vervelend als ze helemaal geen invloed hebben op een situatie. Zoals bij het avondeten. Dan krijgen ze een bord vol geschept en moeten dat maar helemaal opeten, zonder dat ze daar iets over te zeggen hebben... Veel beter is het om zelf op te laten scheppen, maar dan wel met de afspraak: wat je opschept, eet je op. Dan geef je ze eigen verantwoordelijkheid.” We zullen het vanavond proberen.


Pieter is inmiddels thuisgekomen. Ik zet de kindjes voor de tv en begin met koken. Pieter en Sandra zitten aan de keukentafel en ik vertel enthousiast de methode van het zelf op laten scheppen. “’t Is ook maar net wat je belangrijk vindt,” zegt Pieter. “Kijk, Mees eet bijvoorbeeld nog met z’n handen, maar ja, dat maakt ons niet zoveel uit.” Sandra’s mond valt open van verbazing. “Eet hij nog met z’n handen?!” roept ze uit. “Nou ja, we zijn allang blij dat er wat ingaat,” werp ik voorzichtigjes tegen. “Het is geen makkelijke eter.”


“Zoals gezegd,” herhaalt Pieter, “wij vinden het ook niet zo belangrijk, dat met mes en vork leren eten komt later wel.” Hier is Sandra het absoluut niet mee eens. Hoe langer iets een gewoonte is, hoe moeilijker het weer af te leren is. Ouders wachten vaak zo lang met het aanleren van bepaalde vaardigheden, vindt ze, terwijl er een heel natuurlijk moment voor is: als ze het uit nieuwsgierigheid gaan uitproberen. Dat is het moment waarop je uitlegt en voordoet hoe iets moet.


Het eten staat op tafel: rijst, boontjes en Japanse satéetjes. Mees kijkt verheugd op als hij hoort dat hij zelf op mag scheppen. “Maar wat je opschept, moet je opeten hoor,” voegen we eraan toe. Hij schept ruim op (tong geconcentreerd uit de mond), ook qua boontjes. Na drie boontjes heeft hij er genoeg van, maar we herinneren hem aan de afspraak en die klinkt hem blijkbaar heel logisch en redelijk in de oren, want hij eet zonder morren met vork zijn bord verder leeg. Ik weet niet wat ik zie.


 


Teveel tv 


De volgende ochtend staat Sandra om half tien op de stoep. Ze is een beetje verbaasd dat Tijl al voor de tv zit. Tja, die gewoonte is er ingeslopen, leg ik verontschuldigend uit. Ik vind het wel makkelijk ’s ochtends, kan ik even rustig de boel opruimen. Maar het is wel zo: Tijl kijkt veel tv. Zeker als Mees op school zit en ik het druk heb met werk, is de verleiding groot om een dvd’tje aan te zetten. ’t Is toch weer anderhalf uur werken. Eerlijk gezegd, en ik schaam me dit te moeten zeggen: ik weet vaak ook niet wat ik anders met hem moet doen.


Als je iets wil veranderen, zegt Sandra, moet er ook op een ander vlak iets veranderen, anders heeft hij het gevoel dat hem iets wordt afgenomen. Dus als ik wil dat Tijl overdag geen tv meer kijkt, moet ik met een alternatief komen. Zoals een kleedje met daarop zijn speelgoed. Tijl heeft sowieso weinig speelgoed, omdat, tja, het huis al helemaal vol ligt, maar volgens Sandra is het goed als hij zijn eigen hoekje met zijn eigen speelgoed krijgt, zodat hij niet dat van Mees hoeft te gebruiken. Daar komt toch alleen maar ruzie van.


 


Mees verveelt zich


Terwijl we praten, hangt Mees constant aan m’n arm. Hij verveelt zich. Geen van zijn vriendjes is er om te spelen en hij weet niet wat hij moet doen. Ga puzzelen, probeer ik, maar daar heeft hij geen zin in. Ik som op: tekenen, met je computer spelen, verven, bouw een kasteel van je blokjes. Verveeld schudt hij zijn hoofd. Ondertussen loopt Tijl naar het legobouwwerk dat Mees gisteren heeft gemaakt en trapt het in elkaar. “Tijl!” krijst Mees en werpt zich op z’n broertje. Vermoeid haal ik ze uit elkaar. Daar gaan we weer...


“Weet je,” zegt Sandra. “Ik zit hier nu een uur en ik ben nu al doodop alleen door naar je te kijken. Je bent alleen maar met de kinderen bezig, er is geen ruimte voor je eigen dingen, daar word je toch gek van?” Ik knik instemmend, vertel mij wat! “Jij hoeft de kinderen niet bezig te houden,” gaat Sandra verder. “Zeg gewoon: ‘Mama zit nu even te praten’ of: ‘Mama zit nu de krant te lezen.’” Ik proest het uit: krant lezen?! Volgens Sandra kan dat best: gewoon één keer zeggen en daarna negeren. Ik hoef er niet voor te zorgen dat de kinderen het leuk hebben, dat moeten ze zelf doen. Sterker nog: door elke keer met oplossingen te komen, ontneem ik ze de mogelijkheid zelf iets te verzinnen. Ook moet ik niet steeds tussenbeiden springen, Tijl moet zelf leren van zich af te bijten en Mees moet leren omgaan met zijn broertje. Als je wacht met ingrijpen, zul je zien dat het zich 9 van de 10 keer vanzelf oplost, is Sandra’s voorspelling.


Omdat de kinderen geen tv meer keken, had ik hem uitgezet (oké, op aanraden van Sandra) en nu Tijl dat in de gaten heeft, begint hij te piepen. “Nee, geen tv meer,” zeg ik. “En ook niet op schoot, kom op, even zelf spelen.” En dan gebeurt er iets dat ik nog nooit heb meegemaakt: Tijl wordt boos. Zijn mond trekt verbeten en met woedende oogjes kijkt hij in het rond. Hij gooit een krukje om en zoekt naar andere dingen die hij om kan gooien. “Negeren,” zegt Sandra, “laat hem maar even.” Tijl stampt nog even in het rond, haalt dan zijn schouders op, loopt naar Mees en gaat samen met hem met de blokjes spelen. Ze zijn samen aan het spelen!!!


 


Baby privileges 


Tijl is een beetje wildgegroeid, is Sandra’s conclusie. Hij heeft nog steeds dezelfde privileges als toen hij een baby was, maar hij is geen baby meer. Hij hoeft niet meer rondgedragen te worden en hij hoeft ook niet vermaakt te worden.Ook hoef ik niet zo voor hem op te komen. Het is Sandra opgevallen dat Tijl wel erg snel piept; hij roept al ‘auw’ als Mees maar in de buurt komt. Mees meent het niet zo slecht met Tijl, vindt ze. Er zit geen kwaadaardigheid achter. Het lijkt er meer op dat het hem irriteert dat Tijl nog zo breekbaar is. Het is net of hij tegen hem aan loopt te duwen om hem weerbaarder te maken. En soms gaat hij daar te ver in, zoals vanochtend toen we koffie dronken in de keuken. Mees gaf Tijl een duw en deed dat zo hard dat Tijl met zijn hoofd tegen de tafel kwam. Ik werd meteen boos op Mees en troostte Tijl. Daarover zegt Sandra nu: “Mees schrok er zelf ook van. Hij doet het wel bewust, maar hij overziet de gevolgen nog niet. Het is beter ze allebei te troosten, want nu voelde hij zich extra afgewezen.” Hij zei later nog tegen Sandra toen ze even naar hem toeging: “Ik wil niet dat mama schrikt.”


 


Omgaan met negatieve emoties


Mees is een heel gevoelig mannetje dat moeilijk met negatieve emoties om kan gaan, heeft Sandra de afgelopen twee dagen gezien. Hij wil controle en kan zich niet zo goed uiten en op die momenten weet hij zich echt geen raad met zichzelf. Juist op die momenten moet ik hem steunen en niet afwijzen. Zeggen dat ik begrijp dat hij zich zo voelt, zonder het proberen op te lossen. “Moeders doen altijd wat vrouwen zo vervelend vinden aan mannen: ze zoeken continu oplossingen,” zegt Sandra. “Jij wilt zo graag dat de kinderen het leuk hebben, maar het wordt pas leuk als de kinderen weten waar ze tegenaan kunnen leunen.” Zeker Mees, waarschuwt ze. “Mees is een jongetje dat constant tegen die muur loopt te bonken en denkt: sta nou eens stil. En jij blijft maar meegeven. Dat is wat hem zo frustreert. Mees heeft structuur nodig, en grenzen. En zolang jij die niet biedt, blijft hij zoeken.”


Die middag loopt Mees nog twee keer tegen zijn grenzen aan en zit dus op het stoeltje. Ook Tijl voelt een paar minuten het harde hout onder zijn billen, nadat hij baldadig een boekje heeft vertrapt. Maar ze vinden het niet erg. Ze worden er rustig van en blijven ook rustig. “Je zal zien dat dat stoeltje steeds meer een plek van rust wordt,” had Sandra gezegd. “Ze zullen het zelf opzoeken, als ze een beetje van streek zijn.” ’s Avonds leg ik Mees in bed en voor het eerst sinds tijden verloopt dat rustig en gezellig. Normaal gesproken hebben we aan het eind van de dag zo genoeg van elkaar dat ik niet eens meer in zijn kamer mag komen. Meestal gaat dat gepaard met een dichtslaande deur en de uitroep: “Ik wou dat jij mijn mama niet was.” Nu ligt hij in zijn bedje en strekt zijn armen naar me uit. “Waarom was die mevrouw er gisteren en vandaag?” vraagt hij. Ik leg uit dat Sandra papa’s en mama’s helpt als ze problemen hebben met hun kindjes. Zoals wij, zeg ik. “Wij zijn vaak boos op elkaar en ik vind dat heel erg. Dus heb ik Sandra gevraagd hoe ik het weer goed kan maken met jou.” Mees kijkt me aan en trekt me naar zich toe. “Jij mag nooit meer weggaan, mama.”


 


 


Hoe staat het na twee weken?


Wat ging er goed?


-         Het stoeltje. Voor Mees werkt het prima als bezinningspunt, hij komt er altijd rustig vandaan. En ik laat me niet meer zo opnaaien. Als hij vervelend doet, waarschuw ik en weet ik: nog even en hij gaat naar zijn stoeltje. Dat gebeurt dan ook en dan ben ik ervan af.


-         Vroeger werd ik kwaad als Mees in een boze bui was. Nu ik weet dat hij moeilijk met negatieve gevoelens omgaat, ga ik naast hem zitten en heb een gesprekje met hem waarin ik probeer te verwoorden wat hij voelt. Werkt veel constructiever.


-         Nu ik Tijl wat meer met rust laat, ontplooit hij zelf initiatieven. Hij speelt!


 


Wat ging er niet goed?


-         Het eten. Mees mag nu zelf opscheppen, maar het blijft een strijd om het hem op te laten eten. Hij gaat zeuren, dralen en zit uiteindelijk wel twee keer vijf minuten op zijn stoeltje. Daarna moeten we de laatste boontjes er bijna inproppen. Niet echt gezellig.


 


Dit valt Sandra op na twee weken:


Suzanne heeft veel meer een gezagsrelatie met Mees, ze straalt meer rust en zelfverzekerdheid uit naar de kinderen toe. Daardoor drijft Mees niet meer zo door, na de eerste waarschuwing is het meestal genoeg. Tijl banjert lekker rond. Oplossing bij het eten: het is niet de bedoeling dat er een strijd ontstaat bij het eten. Hou het zelf opscheppen er wel in, maar besteed er niet teveel aandacht aan als hij zijn eten niet opeet. Dan eet hij maar niet. Eten doen we tijdens etenstijd, wat niet op is, ruim je op. Na een paar dagen zal hij waarschijnlijk gaan eten, want hij is zijn machtsmiddel kwijt.


 


Drs Sandra Veenstra is internationaal opgeleid ontwikkelings- en onderwijspedagoge en heeft sinds 2000 een eigen praktijk, Grow’n’up, in Naarden en Amsterdam. Ze begeleidt ouders en kinderen die ontwikkelings-, opvoedkundig-, en/of leerproblemen hebben. Voor informatie: www.growingup.nl of 06-51050182.


Oké, er hangt een prijskaartje aan opvoedingsondersteuning thuis, maar het is wel heel effectief. Valt het niet binnen de mogelijkheden, dan zijn er altijd nog opvoedcursussen die ook heel leerzaam zijn. Gordontraining en de cursus Opvoeden zo! zijn de bekendste. Nadeel is dat ze zo algemeen zijn, dat wat je leert niet altijd toepasbaar is op jouw eigen situatie. Je moet er dus uit halen wat bij jullie werkt. Informatie over opvoedcursussen kun je krijgen bij het consultatiebureau of de GGGD en kijk op www.gordontraining.nl voor een Gordontraining bij jou in de buurt.


 


Superquotes van Sandra:


“Moeders doen wat vrouwen zo vervelend vinden aan mannen: ze zoeken continu oplossingen.”


“Vervelen heeft een functie: het stimuleert oplossingsgericht denken.”


 “Als de kinderen zich vervelen, hoeven ze jou niet te vervelen.”