Hoe Suzanne leert omgaan met haar woede
Flair, 2003

slordig.jpg


 


Journaliste Suzanne Rethans combineert haar baan met het gezinsleven. En dat valt niet altijd mee. Het valt soms erg tegen. En dan hoeft er maar iets te gebeuren, of... Natuurlijk voelt ze zich schuldig als ze weer eens als een furie door het huis is gegaan. De kindjes schrikken er ook zo van. Daarom heeft ze besloten aan anger-management te doen.


 


Het is 17.15 uur. Eindelijk binnen. Ik heb de hele dag in Hilversum gewerkt, daarna boodschappen gedaan voor het avondeten en toen meteen door naar de crèche om Mees en Tijl te halen. Tijl huilt, want die heeft honger. Mees huilt, want die wil naar een vriendje en ik heb nu geen tijd hem te brengen (bovendien zijn we net thuis, grrrr). Het is primetime in huize Rethans.


Ik negeer het gezeur van Mees en zet snel een potje voor Tijl in de magnetron. Heeft hij alvast gegeten. Terwijl ik hem voer, handel ik twee telefoongesprekken af en voorkom ik dat Mees The Lion King in de videorecorder propt. Het is bijna half zes en ik wil zo The Bold and the Beautiful zien. Mees zet het op een brullen, ik stuur hem naar boven, plant Tijl op een kleedje met al z’n speelgoed en begin met het avondeten. Tijl huilt (die moet eigenlijk naar bed, maar dan mis ik de Bold), dus pak ik hem op en zet ‘m op m’n heup, terwijl ik ervoor zorg dat het vlees in de pan niet aanbrandt. Met een schuin oog probeer ik tv te kijken. Mees huilt boven nu hartverscheurend om papa en gooit iets met een harde klap op de grond. “Verdomme Mees, hou op!” gil ik naar boven. Tijl begint nu ook weer te huilen, die moet echt naar bed. Maar het is bijna zes uur, dat komt qua slaap- en eetschema’s niet zo goed uit. Nou ja, dan maar nu alvast z’n pap en dan echt naar bed. Ik warm een fles op – Tijl zet het nu op een krijsen – en tegen de tijd dat ik de pap klaar heb, is Tijl zo overstuur dat hij niet meer kan drinken. Ik voel mezelf overkoken. Godverdomme, zeg ik eerst in mezelf, en dan hardop. “Godverdomme,” roep ik uit. “Waarom moet ik alle klotedingen hier in huis altijd alleen doen?!” En ik smijt uit pure frustratie de papfles in de gootsteen.


Ik heb een klein driftprobleempje. Altijd al gehad, maar sinds Tijl ons gezin is komen versterken, lijk ik er extra veel last van te hebben. Ik heb het gewoon te druk, zeker op werkdagen. Dan is er teveel gedoe, teveel herrie en wil ik maar één ding: rust. Wat ik niet krijg. Ik voel precies wanneer het me teveel wordt. Dan krijg ik een opgefokt gevoel en gaan allerlei verongelijkte gedachten door mijn hoofd spoken. En dan ontplof ik. Wat gepaard gaat met luid gevloek en gescheld. Eenmaal gekalmeerd, schaam ik me natuurlijk dood, maar dan is het kwaad al geschied. Ik wil mijn woede leren beheersen. Omdat Mees ervan schrikt, Tijl er ook opgefokt door raakt en omdat het de sfeer in huis niet ten goede komt.


 


Over de rooie


Jan Bernard is als psycholoog, psychotherapeut en gedragstherapeut verbonden aan polikliniek De Waag in Amsterdam, waar hij mensen behandelt met agressieproblemen. Ter voorbereiding op ons gesprek lees ik zijn zelfhulpboek Over de rooie, omgaan met woede en agressie. Ik herken er veel in. Dat mensen met woedeaanvallen eigenlijk bang zijn om de controle te verliezen, dat ze vaak de schuld buiten zichzelf leggen en dat verwachtingen een belangrijke rol spelen in het oplopen van de frustratie.


Ik had verwacht dat Jan Bernard me wat handvatten zou aanreiken om mijn woede te beheersen op het moment dat het opkomt. Maar dat snel driftig worden, is temperament, zegt hij, en daar is niet zoveel aan te veranderen. Beter is het te kijken hoe mijn woede zich opbouwt. Agressiviteit komt voort uit impulsiviteit, vertelt hij. Niet dat alle impulsieve mensen agressief zijn, nee, het agressieve gedrag moet eerst een voordeel opleveren, wil het een patroon worden. Jan Bernard: “Als je bijvoorbeeld merkt dat je man opeens voor je gaat rennen als je als een furie door het huis stampt (ja!), kun je denken: dat werkt. Edoch. Er is ook nog zoiets als een geweten en het beeld dat je van jezelf hebt en het beeld dat je graag wilt dat een ander over je heeft. En die drie kunnen aardig botsen. Al merk je dat het effectief is als je zo tekeer gaat, dan nog kun je het niet voor jezelf verantwoorden. Je voelt dat het een onsje teveel is. Iemand die wat minder geteisterd wordt door geweten en reflectie kan vanuit een machteloze situatie gaan denken: zo, nu ben ik de baas. En zo ontstaat huiselijk geweld.”


Zo erg is het niet. Ik zit hier, ik heb een geweten en ik doe aan reflectie. Jan Bernard knikt me bemoedigend toe. Ik vertel hem hoe het elke keer fout loopt. Dat ik gestresst uit werk kom, boodschappen doe en de kinderen haal en vanaf dat moment in een stroomversnelling kom waarin gekookt, gevoerd, getroost en getelefoneerd moet worden. “En dan wil ik ook graag de Bold zien,” voeg ik er enigszins beschaamd aan toe. “Dat is heel belangrijk voor me. Als ik niet naar de Bold kan kijken, word ik erg boos, want dat is míjn moment van de dag.”


Jan Bernard kijkt me onthutst aan. “Dus u wilt een moment voor uzelf kunnen hebben, terwijl u kijkt naar een spannende serie, vier pannen op het vuur heeft staan en twee kinderen in de gaten moet houden. Mevrouw, het lijkt wel Fawlty Towers! Het is toch logisch dat dat niet kan?”


 


Ontploffen tijdens de avondspits


Ik zie de absurditeit er zelf ook wel van in. Al langer. Toch verlopen de avondspitsen ondanks goede voornemens altijd volgens het vaste patroon. Ik besef dat ik het met mijn gestress alleen maar erger maak, dat de kinderen nog vervelender worden, maar ik kan het niet helpen. Zodra de dingen niet lopen zoals ze horen te lopen, ontplof ik.


“U wilt teveel en u wilt het tegelijk en u heeft het ergens in uw hoofd gezet dat dat kan,” vat Bernard samen. “U creëert uw eigen woede, doordat u dingen wil die niet zullen lukken. Waarom lukt het toch niet, vraagt u zichzelf af en u wordt alleen maar bozer van die vraag, want daar heeft u ook al geen controle over. Er hoeven maar een paar dingen te gebeuren die u niet in de hand heeft en u bent uit uw ritme en wordt kwaad. Terwijl het allemaal aan uzelf ligt. Het is hetzelfde als met vliegangst. Mensen komen alleen over hun vliegangst heen als ze accepteren dat er dingen kunnen gebeuren zonder dat ze daar enige greep op hebben.”


Of mijn man niet kan helpen, vraagt Bernard. “Dat probeert hij wel,” geef ik toe. “Maar als hij om zes uur vanuit de auto belt of hij nog boodschappen moet doen, word ik kwaad. Natuurlijk heb ik al boodschappen gedaan!”


“En koken?” vraagt Bernard.


Ik voel dat ik rood word. “Mag niet van mij. Dan zet hij de boontjes te laat op en dat vind ik nog veel irritanter. Ik wil gewoon graag dat het op mijn manier gebeurt.”


Bernard vindt mijn antwoorden voorspelbaar. “U bent een perfectionist, een controlefreak en u kunt niet delegeren,” zegt hij. “U denkt dat het redelijk is dat iemand stressloos en kakelend van plezier drie dringen tegelijk doet in twintig minuten. Als je steeds maar in de hurry bent, verschaf je jezelf schijncontrole. Je ziet dat ook bij mensen die op de tram staan te wachten. Sommigen staan gewoon te wachten, anderen kijken steeds op hun horloge en gaan bellen en er zijn er zelfs die met hun oor op de rails gaan liggen om te horen of-ie al komt. Die tram gaat er echt niet harder door rijden, maar je denkt: ik heb in ieder geval iets gedaan. Je wilt controle.”


Duidelijk. Ik moet ruimte creëren door de dingen te gaan scheiden. De kinderen moeten op tijd krijgen wat ze nodig hebben, daarna ga ik koken, de Bold neem ik op en telefoongesprekken voer ik na achten. Verder moet ik mijn verwachtingspatroon proberen los te laten. Het is niet erg als Tijl zijn fles niet nu wil, dan vraagt hij er later nog wel een keer om. En als ik voel dat ik boos word, moet ik me niet afreageren op Pieter of de kinderen, maar onthouden dat het mijn eigen controlezuchtigheid is die de woede opwekt. Helpt dat niet afdoende, dan sla ik in een kussen.


“Kinderen kunnen er best tegen als je af en toe boos wordt,” stelt Bernard me gerust. “Ze moeten alleen wel weten dat het niet door hen komt. Zeg gewoon: ‘Mama is even boos, want de dingen gaan niet zoals ik wil, maar ik ben zo weer bij je’ en er is niets aan de hand.”


 


Een maand verder


We zijn nu een maand verder en ik heb geen driftbuien meer gehad. Ik voel er wel eens een opkomen, maar dan bedenk ik me meteen dat ik weer drie dingen tegelijk aan het doen ben. First things first, zeg ik op zo’n moment tegen mezelf, en dan ebt de bui vanzelf weg. Ook heb ik leren loslaten. Vanmorgen nog hadden we zoiets waar ik normaal gesproken van door het lint zou gaan. Het was half tien en we moesten straks naar mijn zusje in Dordrecht. Lieten we Tijl eerst slapen of zouden we erop vertrouwen dat hij in de auto sliep? Eerst laten slapen was beter, maar dan zou het zo laat zijn voordat we vanmiddag weer thuis zouden zijn en vanavond hadden we eters. Moest ik nog veel voor doen. Maar ja: als Tijl nu niet sliep en straks ook niet in de auto, zaten we de rest van de dag met een zeikerig kind. En hij was al zo moe en ik moest ook nog alle spullen inpakken...


Ho, stop, zei ik tegen mezelf. Het komt voor ons beter uit als we nu gaan, want dan hebben we vanmiddag alle tijd. Als Tijl moe genoeg is, slaapt hij wel in de auto en anders heeft mijn zusje wel een bed. Geen gezeik, rustig aan, eerst een kopje koffie. En dan gaan we gewoon...


 


Over de rooie, omgaan met woede en agressie, Jan Bernard, Uitgeverij Boom, ISBN 9053527087, € 14,-.