Bevalling
Flair, 2003

Om half vijf ‘s middags heb ik wat bloedverlies. “Zal ik de afdeling verloskunde bellen?” roept Pieter enthousiast. “Nee, laat maar,” zeg ik. Het rommelt nou al zo lang met harde buiken en voorweeën, zo’n vaart zal het ook nu wel niet lopen. “We gaan eerst schoenen kopen voor Mees, net zoals we van plan waren,” besluit ik en pak de jassen.


In de schoenwinkel merk ik dat de krampen regelmatiger worden. Het doet nog niet echt pijn, meer een gemene menstruatiekramp, maar ze zijn er. “Hmpff, toch zo maar even het ziekenhuis bellen,” kreun ik als er weer een opkomt.


Het ziekenhuis is niet direct gealarmeerd – ze hebben me bij verloskunde vaker aan de telefoon gehad de afgelopen tijd – maar raadt me toch aan even langs te komen. Tien minuten later zijn we in het weeënkamertje – het voorportaal van de verloskamer. Ik lig aan de ctg-scan die om de vier minuten weeën constateert. De gynaecoloog komt binnen om me te toucheren. Een pijnlijke aangelegenheid. Ze rommelt wat, kijkt me dan verbaast aan en zegt: “Je hebt zes centimeter ontsluiting en de baarmoedermond is al helemaal verstreken!”


Pfff, eindelijk erkenning, denk ik. Niemand nam me meer serieus met al die voorweeën. Zelfs Pieter zei ’s morgens bij het weggaan: “Ik wil het pas horen als je tien centimeter ontsluiting hebt.” Opgelucht stap ik van het bed af. “Wat ga je doen?” vraagt de gynaecoloog verbaast. “Nou, naar huis,” zeg ik. “Ik kom wel terug als het echt doorzet.”


“Ik heb best honger,” zeg ik in de auto tegen Pieter. “Patatje?” vraagt hij. “Hmmm,” zeg ik, genietend bij het vooruitzicht. En terwijl we wachten op de patat, puf ik wat weeën weg tegen een wit, plastic tafeltje en bel mijn beste vriendin.


Thuis krijg ik het opeens op m’n heupen. Mees leidt enorm af, dus ik ben blij als mijn moeder arriveert en wij weer naar het ziekenhuis kunnen. Waar ik acht centimeter ontsluiting blijk te hebben. We kijken het nog een uurtje aan (ik hobbel wat heen en weer) en dan besluit de gynaecoloog de vliezen te breken om er wat vaart in te brengen. Dertig seconden later weet ik niet wat me overkomt. Een vreselijke pijn overspoelt me, wordt erger en erger en ik schreeuw het uit. De weeën blijven maar komen. “Laat het ophouden!” gil ik. De gynaecoloog toucheert me en roept: “Tien centimeter, pers bij de volgende wee maar mee!”


Ondoenlijk. Met die pijn, een gynaecoloog die schreeuwt dat ik mijn knieën vast moet pakken (“Hoe kan dat nou!!!”) en dan persen. “Ik weet niet waar ik heen moet,” gil ik. De gynaecoloog legt haar vingers bij de uitgang en opeens voel ik hoe het moet. Ik pers en pers en pers. Pijn, onbeschrijflijke pijn en ik denk: al scheur ik aan alle kanten uit, dat kind gaat er nu uit. En daar is-ie (pijn is meteen weg - wonderbaarlijk). Een zoon. We hebben er een zoon bij. En hij heet Tijl.