Tijl ziekenhuis 1
Flair 2003

In paniek sta ik bij de balie van de kinderpoli in het ziekenhuis. Ik ben zojuist doorgestuurd door de huisarts. Tijl heeft al een paar dagen koorts en dat hoort niet bij een baby onder de drie maanden, zei de dokter. Ik moest meteen gaan, want het zou wel eens blaasontsteking kunnen zijn. Of erger, las ik in haar ogen.


Ongeduldig kijk ik de baliemedewerkster aan die druk bezig is met papieren. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een Cliniclown verschijnen. Ze kijkt rond en richt zich bij gebrek aan kinderen maar op de volwassenen. “Blaas eens in het ballonnetje,” vraagt ze me olijk. Ik kijk haar boos aan. “Sorry, ik heb hier geen zin in,” zeg ik.  “Ach toe, blaas nou,” herhaalt ze zeurderig. Ik negeer haar. Dus wendt ze zich maar tot de baliemedewerkster die na enig aarzelen in het ballonnetje blaast. De clown laat hem bij haar oor leeglopen en roept: “Ooooh, dát is een vies mopje!”


Ook de kinderarts maakt zich zorgen als ze Tijl onderzocht heeft. Hij heeft hoge koorts, ziet bleek en is zeer geprikkeld. Eerst maar eens bloed laten prikken, zegt ze, dan weten we iets beter waar we over praten. Met lood in m’n schoenen loop ik naar de bloedafdeling (de clown gooit met een zwaai de deur open en maakt een buiging als ik voorbij loop). Zelfs de verpleegsters die hem prikken, moeten iets wegslikken als ze in dat kleine armpje proberen een goede ader te vinden. Ik kijk niet, maar zodra ik hem hoor gillen, beginnen de tranen te stromen.


Het wachten op de uitslag duurt eindeloos. Ik zit weer op de kinderpoli waar het inmiddels een drukte van belang is. Het jongetje naast me zit onbedaarlijk te hoesten en hapt ondertussen naar adem. Hij heeft het vreselijk benauwd. Zijn moeder houdt zich groot, maar zijn vader verdwijnt snikkend naar de gang. En maar wachten. Na ongeveer een uur verschijnt de kinderarts. Ik kijk haar hoopvol aan, maar zie meteen dat het mis is. We moeten blijven, zegt ze. Tijl heeft een te hoge bezinkingswaarde in zijn bloed, wat wijst op een infectie. Waar die infectie zit, gaan ze nu onderzoeken.


Op de kinderafdeling toets ik trillend Pieter z’n telefoonnummer in. Ik ben net aan het uitleggen wat er aan de hand is als de kinderarts weer binnenkomt. “We gaan een ruggenmergprik doen,” zegt ze. “Om uit te sluiten dat het hersenvliesontsteking is. Ik stel voor dat je even weggaat, want dat is een heel naar gezicht.” Ik hap naar adem en hoor Pieter in de telefoon brullen “Ik kom eraan!” 


Als verdoofd zit ik in de ouderkamer, het kopje koffie koud in m’n hand. Pieter stormt binnen en grijpt me stevig vast. De tranen stromen over m’n wangen. “Ik maak me zo’n zorgen,” snik ik. Even later staan we aan Tijl z’n bed. Hij heeft een infuus in zijn hand en ligt aan de monitor. Ons kleine, lieve wurmpje. Oh, laat het alsjeblieft niks ergs zijn...