Tijl ziekenhuis 2
Flair 2003

Tijl ligt in het ziekenhuis. Hij heeft al een paar dagen koorts en dat hoort niet bij een baby onder de drie maanden. De artsen dachten even dat het hersenvliesontsteking was, maar we hebben inmiddels uitsluitsel gekregen: dat is het gelukkig niet. Maar wat dan? We kunnen niets anders doen dan afwachten.


En dat valt niet mee als ik dat kleine mannetje zo zie liggen aan het infuus en de monitor. Hij ziet er zo kwetsbaar uit, zo wit. Ik kan hem niet eens lekker vastpakken, want dan raken alle draden in de war. Dus aai ik zijn haartjes en probeer ik rustig te blijven, want de arts heeft me gewaarschuwd dat Tijl mijn spanning voelt. Het lukt, maar liever zou ik willen schoppen, schreeuwen en huilen. Ik ben bang. Bang dat hij doodgaat. Hij is nog zo klein.


Pieter gaat spullen voor me halen. Het gaat zeker dagen duren voor alle uitslagen binnen zijn, dus het ziet ernaar uit dat ik hier voorlopig vertoef. Ik kijk rond. Het is een kleine ruimte, zo’n tweeënhalf bij vier meter. Er is een wasbak, een tafel met twee stoelen, een ledikant en tegen het raam een bed voor mij. Op de wanden hangen Walt Disney-posters.


In de dagen die volgen, blijft Tijl’s toestand constant. Hij wordt niet beter, maar ook niet slechter, dus wachten de artsen met antibiotica. Met mij gaat het steeds slechter. Ik word gek in die kleine ruimte. Heel soms ga ik even naar buiten om te bellen, maar vaak beginnen de tranen al te stromen als ik het nummer intoets en hang ik maar weer op. Het helpt ook niet dat op de kinderafdeling voor ouders niet wordt gezorgd. Je krijgt wel koffie of thee, maar voor eten moet je zelf zorgen. Ik leef nu al dagen op een broodje brie en daar knap ik niet van op.


Gelukkig zijn de verpleegsters ontzettend lief. Vooral met de nachtzuster kan ik het goed vinden. Als ik al een halve nacht wakker lig van een jongetje dat om zijn moeder roept, vraag ik hoe ze het volhoudt, al die zieke kindjes. Dat maakt het werk juist extra dankbaar, vertelt ze. Alleen bij het laboratorium zitten een paar bitchen. Elke dag wordt Tijl geprikt om te kijken of de bezinkingswaarde in zijn bloed al is gedaald. Als op een ochtend de laborante binnenkomt om te prikken, wil ik snel een washandje warm maken zodat ik zijn hieltje kan voorverwarmen. Dan is het minder pijnlijk en stroomt het bloed sneller. “Oh, nee hoor,” zegt ze, “daar begin ik niet aan. Dat kost me een paar minuten extra.” De tranen springen in m’n ogen, maar ik slik mijn woede in. Het hangt van deze prik af of Tijl naar huis mag.


En gelukkig. De bezinkingswaarde in zijn bloed is weer gezakt. Alles wijst nu op een virale infectie en die moet gewoon uitgeziekt worden. We zullen waarschijnlijk nooit weten wat het geweest is, maar dat maakt me niet uit. Tijl wordt beter, we mogen naar huis!