Overgeven aan het moment
Flair week 1 2006

Je moet je overgeven aan het moment, heeft Pieter zo vaak tegen me gezegd en ik zei het nu tegen mezelf. Geef je over, geef je over. Alles zat tegen op deze ochtend die de moeder-zoonband moest versterken die daar zo aan toe was. Mees en ik zouden samen naar het strand gaan. Lekker uitwaaien in weer en wind. Schelpen rapen, het emmertje stond al klaar.


Maar ik kon mijn wandelschoenen niet vinden. En als ik ergens een hekel aan heb, dan is het wel aan dingen die ik niet kan vinden. Het hele huis heb ik overhoop gehaald, vervolgens Pieter vervloekt die ze vast en zeker ‘opgeruimd’ had en anders was het wel de werkster geweest. Ondertussen stond Mees met zijn jas aan te dralen voor de deur. “Wanneer gaan we nou, mam?” Oh ja. Overgeven. Rustig. Ik deed m’n gymschoenen aan en we gingen op weg.


Op naar IJmuiden, want daar schijn je de lekkerste vistentjes te hebben. En Mees houdt zo van visjes. Er was een omleiding. Volg N. Na twee bordjes N was er nergens meer een N te bekennen en ik vloekte eerst inwendig en toen een paar keer hardop. “Zijn we verdwaald, mama?” klonk het naast me.


Via Haarlem en weer terug bereikten we dan toch eindelijk IJmuiden. Het strand was zo goed als uitgestorven. Er stond een straffe oostenwind en het zand woei met vlagen voorbij. Ik huiverde, Mees draaide resoluut rechtsomkeerd. Te koud, vond hij, hij wilde thuis video kijken. Alhoewel dat aanbod me aanlokkelijk in de oren klonk, kon ik misschien nog even werken, gaf ik niet zomaar op. Ik keek naar achteren, zag daar een tentje open en nam Mees mee voor een kop dampende chocolademelk met slagroom.


Dat was gezellig, Mees genoot, ik uiteindelijk ook. “Gaan we nu visjes eten?” vroeg hij. Het was 11.00 uur, welja, patatjes erbij, kom maar op. Behalve een paar vissers die twijfelden of ze nu wel of niet moesten vissen, was het tentje verlaten. En terwijl Mees het ene frietje na het andere in zijn mond deed, raakte ik in gesprek met een van de vissers. We mochten wel even mee, zei hij. Hij en z’n maat gingen zo met de jeep het strand op, om te kijken of er nog steeds zoveel apenhaar (zeewier) langs de kust lag, wat de vissers tot nu toe belet had te gaan vissen.


We gingen mee. Het bleek mee te vallen met het apenhaar en de vissers zetten het net uit. Een paar honderd meter later hielp Mees het visnet weer binnen te halen en hij schreeuwde verheugd naar de vissers bij het zien van de vangst. Na een laatste, verwarmende mok chocomelk zaten we in de auto terug naar huis. Mees was in slaap gevallen. Het emmertje garnalen stevig tussen zijn beentjes geklemd.